FarmaKaj Logo
Beroerte

Nazorg & secundaire preventie

De rol van de huisarts na ontslag: overdracht, aandachtspunten, medicamenteuze secundaire preventie, leefstijl, rijgeschiktheid, controles en CVA-ketenzorg na een TIA, herseninfarct of intracerebrale bloeding.
Medische samenvatting van de NHG-Standaard Beroerte (M103). Voor streefwaarden en middelkeuze van bloeddruk- en cholesterolbehandeling: volg de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement.

Kernpunten

  • Een doorgemaakte TIA, herseninfarct of intracerebrale bloeding geldt als een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten.
  • De neuroloog start tijdens opname de secundaire preventie; de huisarts zet die in principe levenslang voort en bewaakt therapietrouw.
  • Na ontslag valt de regie over de zorg in het algemeen onder de huisarts; inventariseer lichamelijke, neuropsychologische en maatschappelijke beperkingen actief.
  • Wees ook na een minor stroke of TIA alert op vermoeidheid, cognitieve stoornissen, angst en depressie.
  • Therapeutisch doel:
    • een recidiefberoerte en andere cardiovasculaire gebeurtenissen voorkomen door medicamenteuze secundaire preventie en leefstijladviezen.
    • functioneel herstel en kwaliteit van leven van patiënt en naasten ondersteunen; restverschijnselen begeleiden.
    • overbelasting van de mantelzorger voorkomen.

Overdracht en aandachtspunten

  • De neuroloog zorgt bij ontslag (uiterlijk binnen 24 uur) voor een ontslagbrief en bij voorkeur telefonische overdracht.
  • Neem binnen enkele dagen na ontslag contact op; leg een visite af of nodig de patiënt uit op het spreekuur.
  • Inventariseer bij controles, afgestemd op de fase en de ernst:
    • behandeling: het ingezette beleid en de secundaire preventie (therapietrouw, bijwerkingen); wees alert op (paroxismaal) atriumfibrilleren.
    • beperkingen: functionele beperkingen (overweeg de barthelindex), communicatie (hemianopsie, afasie, dysartrie), (dreigende) contracturen of spasticiteit.
    • neuropsychologisch: depressie, angst, vermoeidheid en cognitieve stoornissen; verricht bij tekenen van een cognitieve stoornis diagnostiek volgens de NHG-Standaard Dementie. De MoCA wordt hiervoor niet aanbevolen.
    • maatschappelijk: woonsituatie, dagbesteding, arbeidsre-integratie en de belastbaarheid van de mantelzorger.

Secundaire preventie

Na een TIA of herseninfarct

Trombocytenaggregatieremmers (zonder cardiale emboliebron) — twee gelijkwaardige opties:

OptieMiddel
1dipyridamol mga 2 dd 200 mg + acetylsalicylzuur 1 dd 80 mg
2clopidogrel 1 dd 75 mg

Kies bij bijwerkingen voor het alternatief. Bouw dipyridamol op (week 1 en 2 eenmaal daags, daarna tweemaal daags) om hoofdpijn te beperken.

Orale anticoagulantia: geïndiceerd bij atriumfibrilleren of een andere cardiale emboliebron, in plaats van trombocytenaggregatieremmers. Een DOAC en een vitamine K-antagonist zijn gelijkwaardig; zie de NHG-Standaard Atriumfibrilleren voor keuze en dosering.

Cholesterolverlagende medicatie en antihypertensiva: volg voor streefwaarden en middelkeuze de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement.

  • Bloeddrukverlaging is ook geïndiceerd bij een systolische bloeddruk ≤ 140 mmHg, mits verdragen.
  • Verlaag de bloeddruk langzaam bij een onbehandelde hooggradige (≥ 70%) carotisstenose of -occlusie; controleer dan regelmatig.

Na een intracerebrale bloeding

  • Trombocytenaggregatieremmers: waarschijnlijk veilig bij wie deze tijdens de bloeding gebruikte; overleg met de neuroloog over de herstarttermijn.
  • Anticoagulantia: de beslissing om te herstarten of te vervangen wordt door neuroloog en cardioloog genomen.
  • Antihypertensiva: ook bij een systolische bloeddruk ≤ 140 mmHg geïndiceerd, mits verdragen.
  • Statine: een intracerebrale bloeding is geen indicatie voor een statine.
Na een herseninfarct als gevolg van een arteriële dissectie worden patiënten gedurende 3-6 maanden behandeld met orale anticoagulantia of een trombocytenaggregatieremmer.

Leefstijl

Ga na op welke leefstijlfactor de grootste winst valt te behalen en wat het meest haalbaar is. Adviseer (zie ook CVRM):

  • niet roken en meeroken vermijden
  • voldoende bewegen: ten minste 150 minuten per week matig intensief, niet meer dan 8 uur per dag zitten
  • streven naar een gezond gewicht (BMI 20-25 kg/m²)
  • gezond eten volgens de Schijf van Vijf
  • stress voorkomen

Ontraad oestrogeenbevattende anticonceptie en hormoontherapie bij overgangsklachten.

Rijgeschiktheid

  • Geen interfererende functiestoornissen: groep 1 (personenauto, motorrijwiel) vanaf 2 weken, groep 2 (vrachtwagen, autobus) vanaf 4 weken; de patiënt vult een Gezondheidsverklaring in.
  • Wel interfererende functiestoornissen: de termijn bedraagt in ieder geval 3 maanden, waarna een Gezondheidsverklaring en eventueel een rijtest bij het CBR volgen. Bij blijvende interfererende stoornissen kan men niet geschikt worden verklaard voor groep 2.

Seksualiteit en voorlichting

  • Een beroerte is geen reden om af te zien van seksuele activiteit; erectiele disfunctie is meestal van voorbijgaande aard. Verwijs zo nodig naar de NHG-Standaard Erectiele disfunctie.
  • Bespreek aard, oorzaak, behandeling en prognose; betrek de naasten. Adviseer direct contact op te nemen bij opnieuw optreden van uitvalsverschijnselen.
  • Verwijs voor patiënteninformatie naar Thuisarts, hersenletsel.nl of breinlijn.nl.

Controles

  • Maak met patiënt en mantelzorger afspraken over frequentie en wijze van controle.
  • Bij een stabiele patiënt met alle benodigde zorg ingeschakeld ligt de nadruk op cardiovasculair risicomanagement:
    • in het eerste jaar minstens halfjaarlijkse controle
    • de frequentie kan na een jaar verlaagd worden als de streefwaarden behaald zijn

Consultatie en verwijzing

ProbleemVerwijzen naar
Recidief uitval, complicaties, epileptisch insultneuroloog
Taal-, spraak- of slikproblemenlogopedist
ADL, vermoeidheid, werkhervattingergotherapeut
Mobiliteitsproblemenoefen- of fysiotherapeut
Cognitieve of emotionele gedragsstoornissenneuropsycholoog (in overleg met neuroloog)
(Dreigende) contracturen of spasticiteitrevalidatiearts
Arbeidsre-integratiebedrijfsarts
Complexe problematiek kwetsbare ouderespecialist ouderengeneeskunde

CVA-ketenzorg

Veel patiënten blijven afhankelijk van verschillende hulpverleners. De zorg is in Nederland vaak georganiseerd in een regionale zorgketen (stroke service) met onder andere neurologen, verpleegkundigen, fysio- en ergotherapeuten, logopedisten, diëtisten, psychologen en specialisten ouderengeneeskunde.

  • Maak duidelijk wie het aanspreekpunt is (zorgcoördinator) en stel zo nodig een zorgplan op.
  • Omdat de regie na ontslag bij de huisarts ligt, hebben heldere afspraken met de huisarts meerwaarde.
Copyright © 2026 Kaj Kowalski