Nierschade
Kernpunten
- Chronische nierschade (CNS) = gedurende
≥ 3 maandeneeneGFR < 60 mL/min/1,73 m²en/of verhoogde albuminurie en/of sedimentafwijkingen; geschat met CKD-EPI, géén leeftijdscriterium. - Stadiëring langs twee assen:
eGFR(G1-G5) en albuminurie (A1-A3); samen bepalen ze een risico-kleurtabel (groen tot rood). - Nierschade is vooral relevant als complicerende factor bij andere aandoeningen. Ze
raakt het voorschrift langs twee assen:
- farmacokinetisch: renaal geklaarde middelen cumuleren; dosis verlagen, interval verlengen of staken.
- farmacodynamisch/toxisch: de kwetsbare nier verdraagt nefrotoxische combinaties slechter (de "triple whammy").
- Klassieke afkappunten om paraat te hebben:
eGFR < 30: metformine, nitrofurantoïne en NSAID's gecontra-indiceerd/vermijden.eGFR < 45: glucoseverlagend effect van SGLT2-remmers neemt af.- bij dehydratie: sick-day rules (tijdelijk staken/halveren).
- RAAS-remmers juist continueren bij lage
eGFR(renoprotectief), mét monitoring vaneGFRenkalium. - Therapeutisch doel:
- progressie van nierschade vertragen en cardiovasculair risico reduceren (bloeddrukbehandeling, RAAS-remming, SGLT2-remmer, leefstijl).
- geneesmiddel-geïnduceerde schade voorkomen: juiste dosering, vermijden van nefrotoxische combinaties, tijdig staken bij dreigende dehydratie.
- metabole complicaties (anemie, hyperkaliëmie, acidose, hyperfosfatemie) tijdig herkennen en behandelen.
Klinisch beeld
Chronische nierschade geeft lang weinig of aspecifieke klachten; ze wordt meestal bij laboratoriumonderzoek ontdekt. Naarmate de klaring daalt, falen de homeostatische functies van de nier in een vaste volgorde:
| Klaring (mL/min) | Wat ontspoort |
|---|---|
< 45 | PTH stijgt (secundaire hyperparathyreoïdie) |
< 30 | Hb daalt (renale anemie); kalium stijgt |
< 20 | fosfaat stijgt; bicarbonaat daalt (metabole acidose); ureum stijgt; bloeddruk stijgt |
< 15 | gewicht verandert; nierfunctievervangende therapie komt in beeld |
Bij sterk verhoogd ureum (< 20 mL/min) dreigen gastritis, pericarditis,
trombopathie en encefalopathie.
Diagnostiek
Herken de nierfunctie tussen de labwaarden: eGFR, serumkreatinine en de
albumine-creatinineratio (ACR) in de urine.
eGFR-categorieën (G-stadia)
| Stadium | Omschrijving | eGFR (mL/min/1,73 m²) |
|---|---|---|
G1 | normaal of hoog | ≥ 90 |
G2 | mild afgenomen | 60-89 |
G3a | mild tot matig afgenomen | 45-59 |
G3b | matig tot ernstig afgenomen | 30-44 |
G4 | ernstig afgenomen | 15-29 |
G5 | nierfalen | < 15 |
Albuminurie-categorieën (A-stadia)
| Stadium | Omschrijving | ACR (mg/mmol) |
|---|---|---|
A1 | normaal/licht | < 3 |
A2 | matig verhoogd | 3-30 |
A3 | sterk verhoogd | > 30 |
G1/G2 heten pas CNS mét albuminurie, sedimentafwijking of structurele schade.
Beleid per stadium (NHG-tabel 1)
eGFR (G) en ACR (A) bepalen samen de risicocategorie en het beleid. Verwijzen
betekent naar de internist-nefroloog.
eGFR | A1 (< 3) | A2 (3-30) | A3 (> 30) |
|---|---|---|---|
≥ 60 (G1/G2) | groen: geen controle | geel: controle 1×/jr | oranje: RAS-remmer; verwijzen |
45-59 (G3a) | geel: controle 1×/jr | oranje: controle 2×/jr | rood: verwijzen |
30-44 (G3b) | oranje: controle 2×/jr | rood: verwijzen | rood: verwijzen |
15-29 (G4) | rood: verwijzen | rood: verwijzen | rood: verwijzen |
< 15 (G5) | rood: controle ≥ 4×/jr; verwijzen | rood: verwijzen | rood: verwijzen |
Vanaf de oranje categorie: medicamenteuze behandeling bij bloeddruk ≥ 130/80 mmHg
en LDL ≥ 2,6 mmol/L, bij albuminurie (ACR ≥ 3 mg/mmol) met voorkeur voor een
RAS-remmer, plus jaarlijkse influenzavaccinatie. Screening op metabole complicaties
(fosfaat, kalium, calcium, Hb, 2-4×/jr) alleen bij rood-risicopatiënten die
ondanks een verwijsindicatie bij de huisarts onder controle blijven; routinematige
PTH-bepaling en behandeling met actief vitamine D worden niet meer aanbevolen.
≥ 25 µmol/L binnen 48 uur, of > 50% binnen één week. Overweeg directe
verwijzing bij eGFR < 30, zeker bij een zieke patiënt. CNS is juist het
chronische beeld (≥ 3 maanden).Bevestig een afwijking pas als CNS na ≥ 3 maanden. Sluit eerst een niet-nefrogene
oorzaak van albuminurie uit: urinecontaminatie (bloed, fluor), koorts, urineweginfectie,
ontregelde diabetes, manifest hartfalen, zware inspanning of een recent epileptisch insult.
eGFR (CKD-EPI, genormaliseerd naar 1,73 m²). De
medicatiebewaking en de DOAC-dosering rekenen met de creatinineklaring
(Cockcroft-Gault, niet genormaliseerd). Bij een kleine, magere of juist grote
patiënt lopen die getallen uiteen; voor DOAC's en digoxine reken je met de
Cockcroft-Gault-klaring.Laboratoriumbepalingen
- schat de
eGFRmet CKD-EPI, op basis van een selectieve (vaak enzymatische) creatininebepaling; de Jaffé-methode wordt afgeraden. - bepaal de
ACRin de (eerste) ochtendurine. Rapporteert het lab ook losse albumine- en creatinineconcentraties, dan is deACRleidend. - laat het urinesediment op dysmorfe erytrocyten en celcilinders door het laboratorium beoordelen (fase-contrastmicroscopie), niet in de eigen praktijk; gebruik een 2e ochtendurine (blaasverblijf 2-4 uur) en lever die binnen 1 uur na productie aan.
Behandeling
De kern is veilig voorschrijven: dosis aanpassen, contra-indicaties respecteren
en nefrotoxische combinaties vermijden. Afkapwaarden uit het Farmacotherapeutisch
Kompas. Bied nierfunctiebescherming bij jodiumhoudend röntgencontrast vanaf stadium
G3b.
| Middel | Grens | Beleid | Reden |
|---|---|---|---|
| Metformine | eGFR < 30 | gecontra-indiceerd; 30-44: max 1 g/dag; 45-59: max 2 g/dag | cumulatie, lactaatacidose |
| Nitrofurantoïne | eGFR < 30 | gecontra-indiceerd; kies fosfomycine | onvoldoende bactericide urineconcentratie; cumulatie (neuropathie) |
| NSAID's | eGFR < 30 | vermijden, ook kortdurend; kies paracetamol | prostaglandineremming, acute nierschade; "triple whammy" |
| RAAS-remmer (ACE/ARB) | - | niet staken bij lage eGFR; wél monitoren | renoprotectief; staken verergert albuminurie |
| SGLT2-remmer | start eGFR ≥ 15 | effect op glucose neemt af < 45; continueren tot start dialyse | renoprotectief; initiële eGFR-dip is fysiologisch |
| Digoxine | Clcr < 50 | dosis verlagen (onderhoud ~0,125 mg/dag), op geleide spiegel | renale klaring daalt, toxische spiegel |
| Allopurinol | Clcr < 30 | start 100 mg/dag, titreren op urinezuur | cumulatie allopurinol en oxipurinol |
| DOAC's | per middel | dosisreductie of vermijden | (deels) renale klaring |
NSAID plus RAAS-remmer plus diureticum samen geven acute
nierinsufficiëntie en hyperkaliëmie. De NSAID knijpt het afferente arteriool dicht,
de RAAS-remmer verwijdt het efferente arteriool en het diureticum veroorzaakt
ondervulling; samen kelderen ze de glomerulaire druk.Andere veelgebruikte middelen die bij een verminderde nierfunctie dosisaanpassing vragen: lithium, sotalol, amoxicilline/clavulaanzuur en rosuvastatine; volg de HIS-medicatiebewaking en het Farmacotherapeutisch Kompas.
DOAC's bij nierschade
Volgorde van nierafhankelijkheid (hoog naar laag renale klaring): dabigatran, edoxaban, rivaroxaban, apixaban. Reken met de creatinineklaring.
| DOAC | Renale klaring | Grens |
|---|---|---|
| Dabigatran | ~80% | Clcr < 30: gecontra-indiceerd (meest nierafhankelijk) |
| Edoxaban | ~50% | Clcr 15-50: 30 mg 1 dd; < 15: vermijden |
| Rivaroxaban | ~35% | atriumfibrilleren Clcr 15-49: 15 mg 1 dd; < 15: vermijden |
| Apixaban | ~27% | Clcr ≤ 30 mét (≥ 80 jaar of ≤ 60 kg): 2,5 mg 2 dd; minst nierafhankelijk |
Sick-day rules
Bij intercurrente ziekte met dreigende dehydratie (braken, diarree, koorts, hitte) tijdelijk staken of halveren; juist de middelen die de nier extra belasten of zelf cumuleren. Ezelsbrug SADMANS: sulfonylureumderivaten, ACE-remmers, diuretica, metformine, ARB's, NSAID's, SGLT2-remmers.
24-48 uur na herstel. Het nut is het
grootst bij eGFR < 45 (of < 60 met matig verhoogde albuminurie).Niet-medicamenteus: leefstijl en voeding
Leefstijl is een dragende pijler naast veilig voorschrijven. Stimuleer:
- een gezond gewicht (
BMI 20-25; bij ouderen boven 70 jaarBMI 22-28), voldoende beweging en stoppen met roken. - zoutbeperking tot maximaal 6 g keukenzout per dag: geen zout toevoegen bij de bereiding, industrieel bereide voeding beperken. RAS-remmers werken minder goed bij een hoge zoutinname.
Een eiwitbeperkt dieet is in de eerste lijn niet geïndiceerd. Overweeg verwijzing naar een diëtist bij therapieresistente hypertensie en/of gebruik van een RAS-remmer, voor evaluatie en beperking van de zoutinname.
Samenwerking met de apotheker
- activeer bij
eGFR < 60 mL/min/1,73 m²de medicatiebewaking in het HIS (ICPC-code nierinsufficiëntie), geef de actueleeGFRdoor aan de apotheker en pas zo nodig de dosering van bekende en nieuwe medicatie aan. - het doorgeven van een
eGFR < 50 mL/min/1,73 m²aan de apotheker is sinds 2013 wettelijk verplicht; de apotheker betrekt dit in de medicatiebewaking. - bepaal bij patiënten ouder dan 70 jaar de nierfunctie vóór het voorschrijven van medicatie die bij een verminderde nierfunctie gecontra-indiceerd is, aanpassing behoeft of de nierfunctie kan verslechteren, als die onbekend is of langer dan een jaar geleden bepaald.
- huisarts en apotheker volgen de doseringsadviezen uit de G-Standaard (HIS/AIS) en het Farmacotherapeutisch Kompas.
Controles
Na start van een RAAS-remmer bij een verminderde nierfunctie:
- na
1-2 weken:eGFRenkaliumcontroleren (geldt bij start ondereGFR < 60). - een
eGFR-dalingtot 20%is acceptabel en fysiologisch. eGFR-daling> 20%: staken, na1-2 wekenherhalen en denk aan bilaterale nierarteriestenose (verwijzen tweede lijn).kalium > 5,5 mmol/L: overleg met de internist-nefroloog over het beleid.- bij tussentijdse dosisverhoging of langdurig stabiel gebruik: geen extra controle nodig.
Bij stabiele CNS: periodieke controle van eGFR, albuminurie, kalium en de
metabole parameters passend bij het stadium.
Verwijzen of consulteren
Verwijs naar of overleg met de internist-nefroloog:
- progressie (twee criteria):
eGFR-daling25%ten opzichte van de eerste meting in de afgelopen5 jaar, mét verslechtering in stadium, ofeGFR-daling≥ 5 mL/min/1,73 m²/jaar, vastgesteld met≥ 3 metingenin één jaar.
- sterk verhoogd risico (rode categorie in de
G×A-tabel). - ernstig verhoogde albuminurie:
ACR > 30 mg/mmol(A3). - (vermoeden) acute nierschade: directe verwijzing.
- sedimentafwijkingen:
≥ 40%dysmorfe erytrocyten (bij≥ 20erytrocyten/µl) en/of erytrocytencilinders. - (vermoeden) onderliggende of erfelijke nierziekte.
- tijdige verwijzing als nierfunctievervanging binnen
1-2 jaarverwacht wordt. - bij
eGFR 45-60zonder andere CNS-tekenen: overweeg eerst een cystatine-C-eGFRof consultatie.
Bij te verwachten nierfalen binnen 1-2 jaar bereidt de tweede lijn de patiënt multidisciplinair
voor op nierfunctievervangende behandeling (dialyse of transplantatie, bij voorkeur een
pre-emptieve transplantatie met een nier van een levende donor). Kiest de patiënt hiervan af, vaak
bij hoge leeftijd of ernstige comorbiditeit, dan is conservatieve behandeling (afzien van
nierfunctievervanging) en zo nodig palliatieve zorg de route; leg die keuze vast in gedeelde
besluitvorming.
Bron
- NHG-Standaard Chronische nierschade (M109, versie 2.1, februari 2026); richtlijnen.nhg.org.
- Landelijke Samenwerkingsafspraken bij de NHG-Standaard: verwijzen/consulteren en afspraken met apotheker, laboratorium en diëtist; richtlijnen.nhg.org.
- Multidisciplinaire richtlijn Chronische nierschade; Richtlijnendatabase.
- Farmacotherapeutisch Kompas: preparaatteksten metformine, nitrofurantoïne, digoxine, allopurinol en dapagliflozine.
- Patiëntinformatie: Thuisarts, nierschade.
Polyfarmacie
Samenvatting van de Multidisciplinaire Richtlijn Polyfarmacie bij ouderen: definitie, indicatie voor medicatiebeoordeling, de STRIP-methode, START/STOPP en aandachtspunten bij voorschrijven aan kwetsbare ouderen.
Cardiovasculair risicomanagement
Samenvatting van de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement (M84): risicoprofilering, risicoschatting met SCORE2(-OP), risicocategorieën en streefwaarden. De behandeling (bloeddruk, cholesterol, leefstijl) staat op de subpagina's.