FarmaKaj Logo
Farmaco

Stabiele angina pectoris

Samenvatting van de NHG-Standaard Stabiele angina pectoris (M43): syndroomdiagnose, verwijzen naar cardioloog, aanvalsbehandeling met nitraat, onderhoudsbehandeling met bètablokker of DHP-calciumantagonist en cardiovasculaire preventie.
Deze pagina is een medische samenvatting van de NHG-Standaard Stabiele angina pectoris (M43, versie 4.0, december 2019).
Gebruik lokaal protocol en klinisch oordeel bij spoed, afwijkend beloop of diagnostische twijfel.

Kernpunten

  • Anamnese is leidend voor de syndroomdiagnose AP; aanvullend onderzoek in de eerste lijn voegt weinig toe.
  • Onderscheid drie categorieën aan de hand van drie kenmerken (retrosternaal; provocatie door inspanning/emotie/kou; verdwijnt in rust of na sublinguaal nitraat binnen 2-15 min):
    • 3/3typische AP
    • 2/3atypische AP
    • 0-1/3aspecifieke thoracale klachten
  • Verwijs alle (a)typische AP naar de cardioloog (Treeknorm 21 dagen), tenzij beperkte levensverwachting of ernstige comorbiditeit. Doel: bevestigen/uitsluiten van de ziektediagnose SAP én identificeren van hoogrisicopatiënten (> 3% jaarlijkse cardiale sterfte).
  • Verwijs aspecifieke thoracale klachten niet naar de cardioloog; volg [CVRM]nhg-cvrm bij verhoogd CV-risico.
  • Inspannings-ecg én rust-ecg zijn niet geschikt om SAP in de eerste lijn te bevestigen of uit te sluiten; rust-ecg alleen bij vermoeden hartfalen of ritmestoornis.
  • Start bij typische AP, in afwachting van de cardioloog, alvast:
    • aanvalsbehandeling met sublinguaal nitraat
    • acetylsalicylzuur 1 dd 80 mg
    • statine
  • Indicatie onderhoudsbehandeling voor klachtenreductie: > 2 aanvallen per week.
  • Eerste keus onderhoud = bètablokker óf dihydropyridine-calciumantagonist (gelijkwaardig); combineer nooit bètablokker met diltiazem (risico op bradycardie, AV-blok, hartfalen).
  • Alarmsymptomen ACS (pijn in rust, > 15 min, vegetatieve verschijnselen, niet reagerend op nitraat) → patiënt zelf 112 laten bellen; zie [NHG-Standaard Acuut coronair syndroom]nhg-acs.
  • Therapeutisch doel:
    • klachtenvermindering tot een voor de patiënt aanvaardbaar niveau, met behoud van een voor hem normaal inspanningsniveau en kwaliteit van leven.
    • prognoseverbetering door cardiovasculaire preventie (trombocytenaggregatieremmer, statine, behandeling van hypertensie en DM2) ter reductie van myocardinfarct en cardiale sterfte.
    • bij onderhoudsbehandeling: streefhartfrequentie in rust 50-60/min als surrogaatmaat voor voldoende bètablokkade.

Klinisch beeld

Definities

Angina pectoris (AP). Pijn op de borst door voorbijgaande myocardischemie, meestal door obstructief epicardiaal coronairlijden. Minder vaak: microvasculair coronairlijden of coronairvaatspasme.

Stabiele angina pectoris (SAP). Bij herhaling hetzelfde klachtenpatroon, bij ongeveer dezelfde inspanning of uitlokkende factor; geen of geringe progressie; soms jarenlang onveranderd beloop.

Klinisch relevant obstructief coronairlijden. Stenose > 70% in een epicardiale arterie óf hoofdstamstenose ≥ 50% bij coronaire angiografie.

Hoogrisicopatiënt. Patiënt met SAP en > 3% kans op cardiale sterfte per jaar (bv. hoofdstamstenose, drievatslijden, uitgebreide ischemie).

Stille ischemie (ischemische episodes zonder klachten) komt voor bij ongeveer de helft van de patiënten met AP en vaker bij patiënten met diabetes mellitus (mogelijk door neuropathie). Een verminderde klachtperceptie betekent niet automatisch een minder ernstige aandoening.
Coronairspasme als oorzaak van AP-klachten kan uitgelokt worden door cocaïne en amfetaminen; casuïstisch ook door triptanen, tamsulosine, bupropion en capecitabine. Vraag hier expliciet naar.

Drie categorieën aan de hand van drie kenmerken

AP-klacht-classifier (3 kenmerken) interactief
Vink de aanwezige kenmerken aan
Score:0/3 ; categorie:aspecifieke thoracale klachten (0-1/3)
3/3 Typische AP → verwijs cardioloog

Treeknorm: gezien binnen 21 dagen. Start in afwachting alvast acetylsalicylzuur 1 dd 80 mg, statine en sublinguaal nitraat. Bij ernstige comorbiditeit of beperkte levensverwachting: heroverweeg.

2/3 Atypische AP → verwijs cardioloog

Diagnostische onzekerheid; cardioloog bevestigt of weerlegt SAP en identificeert hoogrisicopatiënten. Geen vooraf-start van aanvals- of preventieve medicatie tenzij klinisch beeld dat rechtvaardigt.

0-1/3 Aspecifieke thoracale klachten → niet verwijzen

Lage kans op obstructief coronairlijden. Volg NHG-Standaard CVRM bij verhoogd cardiovasculair risico. Overweeg niet-cardiale oorzaken (musculoskeletaal, GI, pulmonaal, pericarditis, geneesmiddel, angst).

Bron: NHG-Standaard Stabiele angina pectoris (M43), v4.0 (december 2019). Ondersteunt klinisch oordeel, vervangt het niet. Bij klachten in rust, > 15 min aanhoudend of vegetatieve verschijnselen: vermoeden ACS → spoed via 112.

Klachten die voor AP pleiten: uitstraling naar arm(en), schouders, hals, kaak, epigastrio, rond xifoïd of tussen de schouderbladen; klachten die minutenlang duren; aanwijzen van de klachtplaats met een handbreedte of vuist op de borst (Levine's sign).

Klachten die tegen AP pleiten: scherpe of branderige pijn; pijn in een beperkt gebied (muntgroot, met één vinger aangewezen); tintelingen; lokale drukpijn; houdings- of ademhalingsafhankelijke pijn; klachten van seconden of juist vele uren.

Bij ouderen en patiënten met diabetes mellitus kunnen klachten minder uitgesproken zijn; vaker dyspneu of vermoeidheid bij inspanning in plaats van pijn op de borst.
Klachten bij vrouwen presenteren zich gemiddeld 10 jaar later dan bij mannen; aspecifiekere presentatie komt vaker voor en leidt tot uitstel van diagnose.

Indeling SAP naar inspanningsniveau

Klasse-indeling volgens de Canadian Society of Cardiology, bruikbaar voor ernstmaat in correspondentie:

KlasseKlachten bij
1geen klachten of alleen bij excessief zware inspanning
2geen klachten in dagelijks leven, wel bij flinke inspanning
3klachten bij normale dagelijkse activiteiten
4klachten bij geringe inspanning en in rust

Acuut coronair syndroom (instabiele AP en AMI)

Vermoeden ACS bij retrosternale klachten die:
  • in rust optreden, of
  • langer dan 15 min aanhouden en niet verdwijnen in rust of na nitraat, of
  • gepaard gaan met vegetatieve verschijnselen (zweten, misselijkheid, braken, bleek gelaat, benauwd gevoel, angst, onrust).
Direct beleid: spoedverwijzing via 112. Zie NHG-Standaard Acuut coronair syndroom.

Minder spoedeisende vormen van instabiele AP, waarbij wél binnen 24 uur overleg met de cardioloog nodig is:

  • AP-klachten die binnen een week progressief zijn (toename in ernst, duur of frequentie).
  • AP-klachten die binnen twee weken na AMI, PCI of CABG ontstaan.
Nieuw ontstane AP-klachten (< 2 maanden) golden in het verleden per definitie als instabiele AP. Sinds de herziening 2019 valt nieuw ontstane AP bij zware of matige inspanning wel onder SAP.

Diagnostiek

Anamnese

Vraag naar:

  • aard, lokalisatie, uitstraling, frequentie en duur van de klachten
  • uitlokkende factoren: mate van inspanning, emoties, kou, warmte, optreden in rust
  • begeleidende vegetatieve verschijnselen: zweten, misselijkheid, braken, bleek gelaat, onrust, angst
  • beloop sinds ontstaan, progressie of recente verergering
  • hart- en vaatziekten in voorgeschiedenis en familieanamnese (eerstegraads mannelijk familielid ≤ 55 jaar of vrouwelijk ≤ 65 jaar met fatale of niet-fatale HVZ)
  • herkenbaarheid bij eerder doorgemaakt myocardinfarct of eerder behandelde AP

Inventariseer overige CV-risicofactoren conform [CVRM]nhg-cvrm: roken/meeroken, hypertensie, verhoogd cholesterol, DM2, obesitas, weinig bewegen, psychosociale factoren, voeding, alcohol.

Specifiek uitvragen:

  • medicatie: bv. triptanen (kans op AP); medicatie die ischemie kan verergeren
  • intoxicaties: bv. cocaïne (vaatspasme)
  • comorbiditeit die zuurstofvraag of -aanbod beïnvloedt: anemie, COPD, hyperthyreoïdie, klepgebreken, ritmestoornissen

Vraag voor de ernstinschatting naar:

  • inspanningsniveau waarbij klachten optreden
  • recente verergering: hogere frequentie, optreden bij lager inspanningsniveau, in rust, of langere aanvalsduur (→ overweeg IAP, zie ACS)

Lichamelijk onderzoek

Gericht op onderliggende of bijkomende pathologie (ritmestoornissen, klepgebreken, hartfalen):

  • palpatie van de pols (frequentie, ritme)
  • bloeddrukmeting
  • auscultatie van het hart (frequentie, ritme, souffles)
  • auscultatie van de longen

Aanvullend onderzoek

Voor het vaststellen of uitsluiten van SAP in de eerste lijn is geen aanvullend onderzoek geschikt. Stel de syndroomdiagnose op de anamnese; verwijs voor de ziektediagnose naar de cardioloog.
  • Predictiemodel en Marburg Heart Score: niet aanbevolen voor de huisartsenpraktijk.
  • Rust-ecg: niet aanbevolen voor het stellen of uitsluiten van SAP. Overweeg wél bij vermoeden van relevante cardiale comorbiditeit (ritmestoornis, hartfalen).
  • Inspannings-ecg: niet aanbevolen; onvoldoende sensitief en specifiek.
  • CVRM-laboratorium in de wachttijd voor de cardioloog, tenzij regionaal anders afgesproken: glucose, lipidenprofiel, nierfunctie en albumine-creatinineratio in urine.
  • Hb en TSH bij vermoeden anemie of hyperthyreoïdie (bv. tachycardie).

Evaluatie

Categoriseer op basis van anamnese

Tel de drie kenmerken (zie de classifier hierboven) en bepaal categorie: typische AP, atypische AP of aspecifieke thoracale klachten.

Diagnostische twijfel: weeg overige elementen mee

Voor AP pleitend: uitstraling, klachten die minutenlang duren, hogere leeftijd, aanwezigheid van HVZ of CV-risicofactoren in de voorgeschiedenis.
Tegen AP pleitend: scherpe of branderige pijn, lokaal/muntgroot gebied, houdings- of ademhalingsafhankelijkheid, klachten van seconden of vele uren.

Overweeg bij aspecifieke thoracale klachten niet-cardiale oorzaken

  • myogene of sternocostale aandoeningen
  • gastro-intestinaal (oesofagitis, ulcus pepticum, cholelithiasis); zie NHG-Standaard Maagklachten
  • pulmonaal: pneumonie (zie NHG-Standaard Acuut hoesten) of longembolie
  • pericarditis
  • bijwerking van geneesmiddelen
  • angst en paniek (kan ook naast AP voorkomen)

Behandeling

Voorlichting

  • Leg uit dat de pijn ontstaat door tijdelijk zuurstoftekort van de hartspier, meestal door vernauwde kransslagaders.
  • Bespreek provocerende factoren (inspanning, emoties, kou, warmte, overgangen) en leefstijladvies; zie Niet-medicamenteus.
  • Bespreek het behandeldoel samen met de patiënt. Stem af op het inspanningsniveau dat voor deze patiënt normaal is (jong/vitaal versus ouder).
Instrueer de patiënt over ACS-alarmsymptomen en vraag in dat geval direct 112 te bellen en hulp in de eigen omgeving in te schakelen:
  • pijn op de borst in rust
  • klachten die > 15 min aanhouden en niet verdwijnen na sublinguaal nitraat
  • vegetatieve verschijnselen (zweten, misselijkheid, bleek, onrust, angst)

Daarnaast contact opnemen met de huisarts bij:

  • toename van de aanvalsfrequentie
  • toename van de behoefte aan aanvalsmedicatie
  • toename van de duur van de klachten of optreden bij geringere provocatie of in rust

Bespreek verder:

  • werk: tijdelijk passende setting; overleg met de bedrijfsarts bij werkbelemmeringen of werk als uitlokkende factor.
  • psychosociale factoren: angst voor een infarct; betrek eventueel de partner.
  • bewegen/sporten: aanbevolen, mits zonder piekbelasting en geleidelijk opgebouwd.
  • seksuele activiteit: hoeft niet ontraden te worden indien de patiënt zonder klachten stevig kan wandelen of tuinieren.
  • gevolgen van medicatie.
PDE-5-remmers versterken het hypotensief effect van nitraten; risico op ernstige hypotensie en collaps. Houd het middel-specifieke interval aan:
PDE-5-remmer + nitraat: veilig interval interactief
Volgorde
PDE-5-remmer
Minimaal interval:24 uur

Na sildenafil: minimaal 24 uur wachten voor sublinguaal of langwerkend nitraat.

Bron: NHG-Standaard Stabiele angina pectoris (M43), v4.0 (december 2019), noot 161. Combinatie kan ernstige hypotensie en collaps geven; nooit binnen het interval beide nemen.

Verwijs voor patiëntinformatie naar [Thuisarts, angina pectoris]thuisarts-ap en voor lotgenotencontact naar [Harteraad]harteraad.

Niet-medicamenteus

Leefstijladvies is essentieel voor risico-reductie én klachtenvermindering:

  • stoppen met roken
  • gezonde voeding en gewichtsreductie bij overgewicht
  • regelmatige beweging zonder piekbelasting
  • matig alcoholgebruik
  • aandacht voor psychosociale stressoren

Zie verder [NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement]nhg-cvrm.

Medicamenteus

De medicamenteuze behandeling bestaat uit drie onderdelen:

  1. aanvalsbehandeling met sublinguaal nitraat
  2. onderhoudsbehandeling ter vermindering van AP-klachten (> 2 aanvallen per week)
  3. cardiovasculaire preventie (trombocytenaggregatieremmer + statine + CV-risicobehandeling)

Aanvalsbehandeling

Geef een van de volgende middelen; gelijkwaardige keuze:

MiddelDoseringBijzonderheden
Nitroglycerine spray0,4 mg/dosis sublinguaaliets snellere werking, werkzaam ~60 min
Isosorbidedinitraat tab.5 mg sublinguaaleenvoudig mee te nemen, werkzaam ~2 uur

Bij beginnende aanval

Medicatie nemen als de klachten, na het staken van de uitlokkende factor, niet snel verdwijnen.

Eerste dosis zittend innemen

Vanwege kans op duizeligheid of flauwvallen door plotse vasodilatatie. Voorbijgaande hoofdpijn kan optreden.

Bij aanhoudende klachten

Tweede dosis na 5 min, eventueel derde dosis na nog 5 min (in totaal na 10 min).

Geen verdwijnen binnen 10 min of klachten in rust

112 bellen; vermoeden ACS.

Preventief gebruik: adviseer een isosorbidedinitraat-tablet enkele minuten vóór een voorzien uitlokkend moment (bv. inspanning, kou).

Onderhoudsbehandeling

Indicatie: > 2 aanvallen per week.

Doel: vermindering van klachten door betere doorbloeding van het myocard of verminderde zuurstofvraag. Streefhartfrequentie in rust bij bètablokker of diltiazem: 50-60/min. Evalueer effect en bijwerkingen na 2-4 weken.

Stap 1: monotherapie

Keuze tussen bètablokker óf dihydropyridine-calciumantagonist (DHP), op geleide van comorbiditeit, contra-indicaties, bijwerkingen en voorkeur van de patiënt.

MiddelStartdoseringMaximaal
Metoprolol met gereguleerde afgifte1 dd 50-100 mg200 mg
Bisoprolol1 dd 2,5-5 mg10 mg
Amlodipine1 dd 5 mg1 dd 10 mg
Felodipine1 dd 5 mg1 dd 10 mg
Belangrijke contra-indicaties en waarschuwingen:
  • Bètablokker: sick-sinussyndroom, tweede- of derdegraads AV-blok, hypotensie, bradycardie (< 50/min).
  • DHP: hypotensie, obstructie van het linkerventrikel-uitstroomkanaal (bv. ernstige aortaklepstenose).
  • Tussen DHP's bestaat onderlinge kruisgevoeligheid.
  • Bètablokker bij langdurig gebruik niet acuut staken: in 14 dagen afbouwen (eerst halve dosering een week, dan een week kwart dosering).

Bij niet verdragen of contra-indicatie voor bètablokker én DHP:

  • overstap naar de andere optie (DHP ↔ bètablokker), of
  • diltiazem als calciumantagonist in plaats van een bètablokker indien een lagere hartfrequentie gewenst is:
    • 2 dd 90-120 mg of 1 dd 200-300 mg (gereguleerde afgifte)
    • contra-indicaties: sick-sinussyndroom, tweede- of derdegraads AV-blok, hypotensie, bradycardie
  • monotherapie met langwerkend nitraat indien zowel bètablokker als calciumantagonist niet verdragen worden of gecontra-indiceerd zijn.
Combineer nooit bètablokker met diltiazem; risico op bradycardie, AV-blok en hartfalen.
Stap 2: combinatietherapie 2 middelen

Bij onvoldoende controle met 1 middel: ga therapietrouw na en overweeg dan een tweede middel erbij:

  • bètablokker + DHP (niet diltiazem), of
  • toevoegen van een langwerkend nitraat als beide opties (bètablokker + DHP) niet mogelijk zijn, of als diltiazem wordt gebruikt (geen combinatie met bètablokker).
Langwerkend nitraatStartdoseringMaximaal
Isosorbidemononitraat met gereguleerde afgifte25-30 mg 's ochtends120 mg 's ochtends (verhogen via 50-60 mg)
Isosorbidedinitraat met gereguleerde afgifte20 mg 's ochtends1-2 dd 80 mg (laatste dosis om 16:00)
Nitraattolerantie. Bij continue 24-uursblootstelling verliest een langwerkend nitraat zijn werking. Houd een nitraatvrij interval van 8-12 uur per etmaal aan, bij voorkeur 's nachts. Daarom 's ochtends doseren en bij twee giften de laatste dosering uiterlijk om 16:00. Met langwerkende nitraten is geen 24-uursprofylaxe mogelijk.

Evalueer na 2-4 weken.

Stap 3: combinatietherapie 3 middelen

Overweeg bètablokker + DHP + langwerkend nitraat alleen indien:

  • de diagnose SAP voldoende zeker is, én
  • de patiënt op optimale dosering van twee middelen is ingesteld zonder voldoende klachtencontrole, én
  • er therapietrouw is, én
  • samen met de patiënt is besloten dat medicamenteuze behandeling de voorkeur heeft boven verwijzing naar de cardioloog voor PCI of CABG.

Evalueer na 2-4 weken.

Ivabradine en nicorandil worden in de eerste lijn niet aanbevolen bij SAP.

Cardiovasculaire preventie

Bij typische AP: starten in afwachting van de beoordeling door de cardioloog. Bij overige indicaties: zie [NHG-Standaard CVRM]nhg-cvrm.

Trombocytenaggregatieremmer
  • acetylsalicylzuur 1 dd 80 mg voor elke patiënt met SAP.
  • Bij allergie voor acetylsalicylzuur: clopidogrel 1 dd 75 mg.
  • Bij verhoogd risico op maagcomplicaties: voeg een PPI toe.
  • Geen routinematig farmacogenetisch onderzoek (CYP2C19) bij starten clopidogrel voor SAP.
Statine en overige preventie
  • Statine volgens [NHG-Standaard CVRM]nhg-cvrm.
  • Behandel, indien aanwezig, verhoogde bloeddruk, dyslipidemie en DM2 conform de NHG-Standaarden [CVRM]nhg-cvrm en [Diabetes mellitus type 2]nhg-dm2.

Receptvoorbeeld: aanvalsbehandeling

/**
 * Patiënt met typische AP, in afwachting van cardioloog.
 * Aanvalsbehandeling sublinguaal en preventieve dosis vóór belasting.
 */
R/ isosorbidedinitraat tablet 5 mg sublinguaal
Da/ 30 tabletten
S/ bij aanval 1 tablet sublinguaal in zittende houding;
   herhalen na 5 minuten indien geen verdwijnen;
   maximaal 3 doses (na 10 minuten alarmnummer 112 bellen)

#! NIET binnen middel-specifiek interval na PDE-5-remmer (avanafil 12 u; sildenafil/vardenafil 24 u; tadalafil 48 u)
#! na nitraat: 24 uur vóór elke PDE-5-remmer
# preventief vóór voorzien uitlokkend moment toegestaan

Receptvoorbeeld: typische AP, start in afwachting cardioloog

/**
 * Typische AP, geen contra-indicaties.
 * Aanvalsmedicatie + cardiovasculaire preventie; onderhoud bij > 2 aanvallen/week.
 */
R/ acetylsalicylzuur tablet 80 mg
Da/ 90 tabletten
S/ 1 dd 1 tablet

R/ atorvastatine tablet 40 mg
Da/ 90 tabletten
S/ 1 dd 1 tablet 's avonds

# onderhoud (bv. metoprolol GA 1 dd 50 mg) toevoegen bij > 2 aanvallen per week
# evalueer na 2-4 weken; streefhartfrequentie in rust 50-60/min

Controles

Frequentie tijdens instelfase op de medicatie in samenspraak met de patiënt; ook patiënten die wachten op beoordeling door de cardioloog en al acetylsalicylzuur, statine en kortwerkend nitraat gebruiken, krijgen periodieke controle.

Bij stabiele instelling: jaarlijkse controle ten behoeve van voorlichting en monitoring van beïnvloedbare risicofactoren conform [CVRM]nhg-cvrm en [DM2]nhg-dm2.

Inhoud controleconsult

  • beloop, klachten en behandeldoel
  • werking en bijwerkingen van geneesmiddelen
  • cardiovasculaire risicofactoren en leefregels
  • werkbelasting; zo nodig overleg met of verwijzing naar de bedrijfsarts
  • houdbaarheid van de aanvalsmedicatie jaarlijks controleren
  • alarmsymptomen ACS opnieuw bespreken
  • meting bloeddruk en hartfrequentie
  • bij onvoldoende resultaat van combinatietherapie: bespreek verwijzing naar de cardioloog (zie Verwijscriteria)

Verwijscriteria

Spoed

Spoedverwijzing via 112 bij vermoeden van ACS: pijn op de borst in rust, klachten > 15 min zonder respons op nitraat, of vegetatieve verschijnselen.
Zie NHG-Standaard Acuut coronair syndroom.

Overleg binnen 24 uur met de cardioloog bij:

  • AP-klachten die binnen een week progressief zijn (toename ernst, duur of frequentie)
  • AP-klachten die ontstaan binnen twee weken na AMI, PCI of CABG

Diagnostische fase

  • (A)typische AP → verwijs naar de cardioloog (Treeknorm: gezien binnen 21 dagen) ter bevestiging of uitsluiting van de diagnose SAP en identificatie van hoogrisicopatiënten.
    • Uitzondering: ernstige comorbiditeit en/of beperkte levensverwachting.
  • Aspecifieke thoracale klachtenniet verwijzen tenzij er aanwijzingen zijn voor andere cardiale pathologie. Bij verhoogd CV-risico: behandelen conform [CVRM]nhg-cvrm.

Chronische fase

Verwijs SAP-patiënten (opnieuw) naar de cardioloog bij:

  • onvoldoende resultaat van medicamenteuze (combinatie)behandeling op klachten en inspanningstolerantie, met belangrijke beperkingen in dagelijks leven.
    Tenzij ernstige comorbiditeit, beperkte levensverwachting, lage kwaliteit van leven of geen wens van de patiënt.
  • nieuw hartklepgebrek (bv. souffle bij vermoeden aortaklepstenose)
  • chronisch hartfalen (mede ter bepaling van CABG-indicatie); zie [NHG-Standaard Hartfalen]nhg-hartfalen
  • hartrevalidatie-indicatie bij ernstige klachten, problemen met werk(hervatting) of psychische gevolgen

Overige verwijzingen:

  • bedrijfsarts bij problemen met werk(hervatting)
  • psychologische begeleiding (POH-GGZ, psycholoog of binnen hartrevalidatie) bij veel stress of angst

Buiten de scope van deze pagina

  • Acuut coronair syndroom (instabiele AP met klachten in rust en acuut myocardinfarct); zie [NHG-Standaard Acuut coronair syndroom]nhg-acs.
  • Opsporen van coronairsclerose bij aspecifieke thoracale klachten; volg [CVRM]nhg-cvrm.
  • Diagnostiek en behandeling van microvasculaire AP en coronairspasme; diagnose in tweede lijn.
  • Hartrevalidatie en revascularisatie (PCI, CABG); indicatiestelling door de cardioloog.
Copyright © 2026 Kaj Kowalski