FarmaKaj Logo
Farmaco

Polyfarmacie

Samenvatting van de Multidisciplinaire Richtlijn Polyfarmacie bij ouderen: definitie, indicatie voor medicatiebeoordeling, de STRIP-methode, START/STOPP en aandachtspunten bij voorschrijven aan kwetsbare ouderen.
Polyfarmacie is geen ziekte maar een risicosituatie. Deze pagina vat de Multidisciplinaire Richtlijn Polyfarmacie bij ouderen samen. Gebruik lokaal protocol, het Farmacotherapeutisch Kompas en klinisch oordeel; beoordeel medicatie altijd samen met de apotheker.

Kernpunten

  • Polyfarmacie is het chronisch gebruik van ≥ 5 voorgeschreven geneesmiddelen;
    bij ≥ 10 middelen spreekt men van hyperpolyfarmacie.
  • Het speelt vooral bij kwetsbare ouderen met multimorbiditeit; risico's zijn
    bijwerkingen, interacties, onder- en overbehandeling, valincidenten,
    therapieontrouw en (vermijdbare) ziekenhuisopnames.
  • Een medicatiebeoordeling is geïndiceerd bij patiënten ≥ 70 jaar die
    chronisch ≥ 5 geneesmiddelen gebruiken én ≥ 1 risicofactor hebben.
  • Evalueer systematisch met de STRIP-methode: per middel starten, stoppen of
    wijzigen, met prioritering en in overleg met de apotheker.
  • De grootste valkuilen zijn valrisicoverhogende en anticholinerge middelen,
    en het niet aanpassen van de dosering aan de nierfunctie.
  • Therapeutisch doel:
    • behoud van functioneren, zelfstandigheid en kwaliteit van leven.
    • minimaliseren van geneesmiddelgerelateerde schade (bijwerkingen,
      interacties, vallen, ziekenhuisopname).
    • onder- en overbehandeling opheffen zodat elk middel een actuele,
      passende indicatie houdt.

Achtergrond

  • Polyfarmacie komt in alle leeftijdsgroepen voor en neemt toe met de leeftijd;
    bij 75-plussers gebruikt circa 45% chronisch ≥ 5 geneesmiddelen.
  • Niet het kalenderaantal middelen alleen, maar vooral de kwetsbaarheid
    bepaalt de kans op farmacotherapiegerelateerde problemen (FTP's).
  • Hoe meer middelen en innamemomenten, hoe groter de kans op interacties,
    bijwerkingen, fouten en therapieontrouw; streef naar zo min mogelijk
    doseermomenten (1 dd waar mogelijk).

Diagnostiek

Een medicatiebeoordeling is volgens de richtlijn geïndiceerd bij patiënten ≥ 70 jaar die chronisch ≥ 5 geneesmiddelen gebruiken én minimaal 1 risicofactor hebben:

  • verminderde nierfunctie
  • verminderde cognitie
  • verhoogd valrisico
  • signalen van verminderde therapietrouw
  • niet zelfstandig wonend (verzorgings- of verpleeghuis)
  • niet-geplande ziekenhuisopname

De werkgroep adviseert proactief een medicatiebeoordeling bij de hoogste risicogroep: patiënten ≥ 75 jaar met ≥ 10 geneesmiddelen (hyperpolyfarmacie) en/of vastgestelde kwetsbaarheid. Een medicatiebeoordeling gebeurt op indicatie, niet routinematig periodiek.

Behandeling

De medicatiebeoordeling (STRIP)

Farmacotherapeutische anamnese

Gesprek met de patiënt over actueel gebruik (welke, hoe, wanneer), inclusief vrij verkrijgbare middelen, gebruiksproblemen, bijwerkingen en allergieën; stel persoonlijke behandeldoelen op.

Farmacotherapeutische analyse

Ordenen van de gegevens; de Nederlandse STOPP/START-criteria dienen als hulpmiddel.

Overleg apotheker en arts

Bij voorkeur mondeling; een farmacotherapeutisch behandelplan met prioritering opstellen.

Terugkoppeling naar de patiënt

Het gewijzigde plan in een behandelconsult bespreken en zo nodig bijstellen.

Follow-up

Afspraken maken over de controle en evaluatie van de afgesproken acties.

De analyse per middel

De farmacotherapeutische analyse loopt per geneesmiddel langs vaste vragen (de Polyfarmacie Optimalisatie Methode, POM):

StapVraag
1Welke geneesmiddelen worden er echt ingenomen, met welke indicatie?
2Welke bijwerkingen (ADE) zijn aanwezig?
3Welk geneesmiddel moet erbij (START, onderbehandeling)?
4Welk geneesmiddel moet eraf (STOPP, onnodig of ongeschikt)?
5Welke klinisch relevante interacties zijn aanwezig?
6Klopt de dosering, frequentie en toedieningsvorm (o.a. nierfunctie)?

Aandachtspunten bij ouderen

  • Valrisicoverhogende medicatie (FRIDs): antihypertensiva en diuretica,
    psychofarmaca (benzodiazepinen, antidepressiva, antipsychotica), opioïden,
    alfablokkers en anticholinergica.
  • Anticholinerge belasting geeft verwardheid, obstipatie, urineretentie en
    droge mond: TCA's, urologische spasmolytica, eerste-generatie antihistaminica.
  • Farmacokinetiek: de nierfunctie daalt met de leeftijd; pas renaal geklaarde
    middelen aan op de eGFR. Lipofiele middelen stapelen door een groter
    verdelingsvolume (langere halfwaardetijd).
  • Farmacodynamiek: ouderen zijn gevoeliger voor CZS-dempers en hebben een
    tragere baroreflex (meer orthostase).
Bij een onverklaarde nieuwe klacht (vallen, verwardheid, obstipatie): denk eerst aan een bijwerking of interactie vóór je een nieuw middel toevoegt (voorkom een prescribing cascade).

Verwijzen of consulteren

  • Voer de medicatiebeoordeling samen met de apotheker uit.
  • Overleg met of verwijs naar een klinisch geriater, internist ouderengeneeskunde
    of (ziekenhuis)apotheker/klinisch farmacoloog bij complexe multimorbiditeit,
    onduidelijke interacties of een lastige afbouw.
Copyright © 2026 Kaj Kowalski