Hypertensie
Het meetprotocol volgt het NHG-protocol Bloeddruk meten (v1.1, 2022).
Kernpunten
- Een betrouwbare bloeddrukwaarde berust op ten minste twee metingen; registreer het gemiddelde van de laatste twee.
- Stel verhoogde bloeddruk vast op het gemiddelde van metingen op drie verschillende momenten:
gemiddelde systolische bloeddruk ≥
140 mmHg. - Bevestig een behandelindicatie met een ambulante meting (
24-uurseerste keus) om wittejashypertensie uit te sluiten. - Wittejashypertensie (verhoogd in de spreekkamer, normaal ambulant) komt voor bij
15-20%; gemaskeerde hypertensie (normaal in de spreekkamer, verhoogd ambulant) bij10-15%. - Bij
SBD ≥ 180 mmHgtijdens een diagnostische meting: overleg dezelfde dag met de huisarts. - Therapeutisch doel:
- een correcte diagnose (witte-jas- en gemaskeerde hypertensie uitsluiten) als basis voor rationeel voorschrijven.
- bloeddruk naar de streefwaarde die past bij het cardiovasculaire risico van de patiënt; zie CVRM.
Achtergrond
Spreekkamermetingen zijn de hoeksteen van de diagnostiek, maar hebben beperkingen: de bloeddruk varieert gedurende de dag en is gevoelig voor inspanning en stress. Daardoor kunnen spreekkamermetingen en ambulante metingen (24-uurs of geprotocolleerde thuismeting) van elkaar verschillen:
- wittejashypertensie: verhoogde spreekkamermeting bij een normale ambulante meting (
15-20%) - gemaskeerde hypertensie: normale spreekkamermeting bij een verhoogde ambulante meting (
10-15%)
Bij een indicatie voor behandeling van hoge bloeddruk wordt daarom geadviseerd naast spreekkamermetingen ook een ambulante meting te doen.
Diagnostiek
Spreekkamermeting
Ontvangst en positionering
Laat de patiënt minimaal 5 minuten rustig zitten. Zorg voor een ontspannen, comfortabele houding: benen niet over elkaar, geen vuist maken. Onderarm en handrug ontspannen op tafel; het midden van de manchet ter hoogte van het midden van het borstbeen. Praat niet tijdens de meting.
Arm bepalen
Meet de eerste keer aan beide armen. Houd voor vervolgmetingen bij voorkeur de niet-dominante arm
aan als er geen duidelijk verschil is (verschil SBD ≤ 10 en DBD ≤ 5 mmHg).
Bij een duidelijk verschil (SBD > 10 of DBD > 5 mmHg): meet nogmaals aan beide armen; blijft het
verschil, meet dan voortaan aan de arm met de hoogste waarde.
Overleg met de huisarts bij een verschil SBD > 20 of DBD > 10 mmHg (onderzoek naar vaatproblemen).
Manchet aanleggen
Ontbloot de bovenarm (geen knellende kleding). Gebruik de juiste manchetmaat: kies een groter formaat
(large, voor armen van 32-42 cm) als de luchtkamer de arm niet volledig omsluit.
Meten (Korotkoff)
Plaats de stethoscoop in de elleboogplooi en pomp snel op tot circa 200 mmHg (tot 250 mmHg als er
dan nog tonen zijn). Laat de druk met 2 mmHg per seconde dalen.
- systolisch (bovendruk) = eerste van een serie regelmatige tonen (Korotkoff I)
- diastolisch (onderdruk) = moment waarop de tonen verdwijnen (Korotkoff V)
Lees af op 2 mmHg nauwkeurig en rond naar boven af.
Herhalen
Herhaal na 1 tot 2 minuten; bij een onregelmatige hartslag een derde maal. Bij een duidelijk
verschil tussen metingen (SBD > 10 of DBD > 5 mmHg): door blijven meten tot twee opeenvolgende
metingen ≤ 10 respectievelijk ≤ 5 mmHg verschillen.
Bij SBD ≥ 180 mmHg: overleg met de huisarts.
Registreren
Bereken en registreer het gemiddelde van de laatste twee metingen.
Ambulante meting
Bij een mogelijke behandelindicatie, om wittejashypertensie uit te sluiten:
- eerste keus:
24-uursmeting - tweede keus: geprotocolleerde thuismeting met een automatische, gevalideerde meter (per keer 2 metingen, vóór het ontbijt en 2 uur na het avondeten, gedurende 1 week)
- indien beide niet haalbaar zijn: overweeg een
30-minutenbloeddrukmetingop de praktijk
Verhoogde bloeddruk vaststellen
Verhoogde bloeddruk kan worden vastgesteld als het gemiddelde van de geregistreerde systolische
bloeddrukken (op drie verschillende momenten) ≥ 140 mmHg is. Overleg met de huisarts of verwijs
naar het spreekuur voor het bepalen van de behandeling.
Secundaire oorzaken
Denk bij circa 5-15% van de patiënten met verhoogde bloeddruk aan een secundaire oorzaak. Vraag
naar:
- gebruik van zout en drop
- NSAID's, orale anticonceptiva
- drugs (amfetamine, cocaïne)
- obstructief slaapapneusyndroom (OSAS)
Behandeling
Bloeddrukbehandeling valt onder CVRM. Behandel een SBD ≥ 180 mmHg altijd; bij 160-180 mmHg
overweeg behandeling als de bloeddruk na leefstijlverandering niet daalt tot < 160 mmHg; voor de
overigen bepaalt het cardiovasculaire risico het beleid.
Zie het stappenplan, de voorkeursmiddelen en de streefwaarden op CVRM · bloeddrukverlaging.
Verwijscriteria
- bloeddruk >
200/120 mmHg(of een recent gedocumenteerde sterke stijging), in combinatie met hoofdpijn, visusstoornissen, misselijkheid en/of braken - verhoogde bloeddruk met acute neurologische symptomen of cardiopulmonale klachten
Bron
- NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement (M84), versie 4.1, september 2024; richtlijnen.nhg.org.
- NHG-protocol Bloeddruk meten (versie 1.1, 2022), via cvrmindehuisartsenpraktijk.nl.
Cardiovasculair risicomanagement
Samenvatting van de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement (M84): risicoprofilering, risicoschatting met SCORE2(-OP), risicocategorieën en streefwaarden. De behandeling (bloeddruk, cholesterol, leefstijl) staat op de subpagina's.
Bloeddrukverlaging
Medicamenteuze bloeddrukverlaging bij CVRM: behandelgrenzen, voorkeursmiddelen, het stappenplan 1a-4 met doseringen, en het beleid bij nierfunctiedaling, elektrolytstoornissen en dehydratie.