Bloeddrukverlaging
Bij chronische nierschade: zie NHG-Standaard Chronische nierschade.
Kernpunten
- Behandel iedereen met een systolische bloeddruk ≥
180 mmHgmedicamenteus, ongeacht het risico op HVZ. - Bij
SBD 160-180 mmHg: overweeg medicamenteuze behandeling als de bloeddruk na leefstijlverandering niet daalt tot <160 mmHg; betrek het SCORE2-risico in de afweging. - De meeste bloeddrukverlagers zijn even effectief; in specifieke situaties is er een voorkeur (zie tabel voorkeursmiddelen).
- Combineer nooit een bètablokker met een diureticum (risico op DM) of een ACE-remmer met een ARB (risico op nierfalen).
- Controleer bij ACE-remmer/ARB/diureticum creatinine, eGFR, natrium en kalium vooraf en na start/wijziging.
- Therapeutisch doel:
- systolische bloeddruk naar de streefwaarde die past bij de risicocategorie
(
< 140 mmHg≤ 70 jaar;< 150 mmHg> 70 jaar), zonder onaanvaardbare bijwerkingen. - bij kwetsbare ouderen: bloeddrukdaling die het cardiovasculaire risico verlaagt zónder
orthostatische klachten of een diastolische bloeddruk <
70 mmHg.
- systolische bloeddruk naar de streefwaarde die past bij de risicocategorie
(
Uitgangspunten
- Streef naar een bloeddruk die past bij het risico van de patiënt (zie tabel 1, risicocategorieën).
- Een sterk verhoogde bloeddruk (≥
180 mmHg) is op zichzelf een indicatie, los van SCORE2. - Hoge bloeddruk gaat, anders dan dyslipidemie, óók gepaard met een verhoogd risico op andere
aandoeningen; daarom is er ruimte om een bloeddruk >
160 mmHgte behandelen ondanks een (nog) laag SCORE2-risico.
Laboratoriumonderzoek
- Vooraf (bij ACE-remmer, ARB en/of diureticum): creatinine,
eGFR, natrium en kalium (tenzij < 1 jaar geleden bepaald en niet afwijkend). - Na
2 wekenopnieuw bij: afwijkende waarden (eGFR <60, kalium <3,8of >4,5 mmol/L), of een combinatie van een ACE-remmer/ARB met een diureticum.
Voorkeursmiddelen per situatie
| Situatie | Bloeddrukverlagend middel |
|---|---|
| Eerder myocardinfarct | bètablokker, ACE-remmer/ARB |
| Angina pectoris | bètablokker, calciumantagonist |
| Hartfalen | ACE-remmer/ARB, bètablokker, lis- of thiazidediureticum, kaliumsparend diureticum¹ |
| Atriumfibrilleren | bètablokker, non-dihydropyridine-calciumantagonist, ACE-remmer/ARB, kaliumsparend diureticum¹ |
| Perifeer arterieel vaatlijden | ACE-remmer |
| Diabetes mellitus | ACE-remmer/ARB |
| Zwangerschap | methyldopa, labetalol, calciumantagonist |
| Afrikaanse herkomst (sub-Sahara) | thiazidediureticum, calciumantagonist |
¹ o.a. spironolacton.
Behandeling
- –Overweeg te starten met 1 middel als de systolische bloeddruk relatief laag is (< 150 mmHg) en/of bij oudere en kwetsbare patiënten.
- –Start in alle overige situaties met 2 middelen: ACE-remmer/ARB + calciumantagonist/diureticum.
- –Overweeg een combinatiepreparaat om de therapietrouw te bevorderen.
- –ACE-remmer/ARB + calciumantagonist + diureticum.
- –Combineer géén bètablokker met diureticum (risico op DM) of ACE-remmer met ARB (risico op nierfalen).
- –Overweeg een combinatiepreparaat voor de therapietrouw.
- –Voeg spironolacton (25-50 mg) toe.
- –Bij niet verdragen van spironolacton is amiloride 10-20 mg een alternatief.
- –Overweeg verwijzing naar de internist of cardioloog.

Stappenplan met doseringen
Stap 1: start 1 middel of combineer 2 van de middelen 1a-1e
Start met 1 middel bij relatief lage SBD (< 150 mmHg) en/of oudere, kwetsbare patiënten; start in
overige situaties met 2 middelen. Evalueer na 2 weken bloeddruk, gebruik en bijwerkingen.
- 1a · ACE-remmer:
enalapril 1 dd 10 mg(ouderen5 mg),lisinopril 1 dd 10 mg(ouderen5 mg),ramipril 1 dd 2,5 mg(ouderen1,25 mg),perindopril 1 dd 4 mg(ouderen2 mg). Bij verminderde nierfunctie (eGFR10-50 mL/min/1,73 m²): pas de dosis aan. - 1b · ARB (minder vaak kriebelhoest dan ACE-remmer):
candesartan 1 dd 8 mg(ouderen4 mg),irbesartan 1 dd 150 mg(ouderen75 mg),telmisartan 1 dd 40 mg(ouderen20 mg),losartan 1 dd 50 mg(ouderen25 mg). Bij eGFR >10: geen dosisaanpassing nodig. - 1c · calciumantagonist:
amlodipine 1 dd 5 mgoflercanidipine 1 dd 10 mg. Alleen bij tevens atriumfibrilleren gaat de voorkeur uit naardiltiazem mga 1 dd 200 mgofverapamil mga 1 dd 120 mg. Geef bij voorkeur géén calciumantagonist bij hartfalen. - 1d · thiazidediureticum:
hydrochloorthiazide 1 dd 12,5 mgofchloortalidon 1 dd 12,5 mg. Géén thiazide bij jicht of een doorgemaakt basaalcel-/plaveiselcelcarcinoom (fotosensibilisatie); adviseer verstandig zonnen. - 1e · bètablokker:
metoprololsuccinaat mga 1 dd 50 mg,atenolol 1 dd 25 mgofbisoprolol 1 dd 5 mg('s ochtends). Géén bètablokker bij een verhoogd risico op diabetes (overgewicht, verhoogde glucose).
Stap 2: combineer de bovenstaande middelen
Voeg een tweede en vervolgens zo nodig een derde middel toe. Combineer geen bètablokker met diureticum en geen ACE-remmer met ARB.
Bij toevoeging van een ACE-remmer/ARB naast een diureticum: halveer de startdosering of onderbreek het diureticum 2-3 dagen vóór de start (bij hartfalen een lisdiureticum meestal niet staken). Overweeg een combinatiepreparaat voor de therapietrouw (op basis van kosten: ACE-remmer/ARB + hydrochloorthiazide). Evalueer na 2 weken.
Stap 3: verhoog de doseringen
Verhoog in stapjes (elke 2-4 weken) tot de maximaal verdragen dosering:
- ACE-remmer:
enalapril 1 dd 40 mg,lisinopril 1 dd 80 mg,perindopril 1 dd 8 mg,ramipril 1 dd 10 mg - ARB:
telmisartan 1 dd 80 mg,candesartan 1 dd 32 mg,losartan 1 dd 100 mg,irbesartan 1 dd 300 mg - calciumantagonist:
amlodipine 1 dd 10 mg,lercanidipine 1 dd 20 mg; bij AFdiltiazem 1 dd 400 mgofverapamil mga 2 dd 240 mg - thiazidediureticum:
hydrochloorthiazide 1 dd 25 mg,chloortalidon 1 dd 25 mg - bètablokker:
metoprololsuccinaat mga 1 dd 200 mg,atenolol 1 dd 100 mg,bisoprolol 1 dd 20 mg
Bij onvoldoende daling (spreekkamer-SBD ≥ 140 mmHg) ondanks 3 antihypertensiva in adequate
dosering en voldoende therapietrouw → therapieresistente hypertensie: ga naar stap 4 of overweeg
verwijzing.
Stap 4: voeg spironolacton toe of verwijs
Overweeg bij onvoldoende reactie eerst gebrekkige therapietrouw, wittejashypertensie, hoge zoutinname en alcoholgebruik; enige vorm van ambulante meting (thuis of 24-uurs) wordt bij deze patiënten aanbevolen.
Voeg spironolacton 1 dd 25-50 mg toe bij de combinatie van 3 antihypertensiva uit stap 1, of
verwijs naar de internist of cardioloog. Bij niet verdragen van spironolacton is
amiloride 1 dd 10-20 mg een alternatief.
Nierfunctiedaling
20%
van de uitgangswaarde is acceptabel, met 30 mL/min/1,73 m² als ondergrens.Na start van een ACE-remmer of ARB:
- bij
> 20%afname van de eGFR: halveer de dosis en controleer de eGFR na 2 weken - bij eGFR
15-30 mL/min/1,73 m²: halveer de dosis en controleer na 2 weken - bij eGFR
< 15 mL/min/1,73 m²: stop de ACE-remmer/ARB (en/of het diureticum) en controleer na 2 weken - bij aanhoudend lage eGFR (
< 30): overweeg een internist-nefroloog te consulteren of te verwijzen
Na start van een kaliumsparend diureticum (spironolacton):
- bij eGFR
15-44 mL/min/1,73 m²: halveer de dosis en controleer na 2 weken - bij eGFR
< 15 mL/min/1,73 m²: stop en controleer na 2 weken - bij aanhoudend lage eGFR (
< 30): overweeg consultatie/verwijzing internist-nefroloog
Elektrolytstoornissen
- Hyperkaliëmie:
- kalium ≤
5,5 mmol/L: geen verdere actie - kalium >
5,5 mmol/L: halveer de dosis ACE-remmer/ARB en/of kaliumsparend diureticum; controleer na 2 weken - kalium >
6,0 mmol/L: stop ACE-remmer/ARB en/of kaliumsparend diureticum; controleer na 2 weken en overleg met de internist over de oorzaak
- kalium ≤
- Hypokaliëmie: verhoog de dosering van een eventuele ACE-remmer/ARB, voeg spironolacton toe en/of geef kalium- en magnesiumsupplementen (hypokaliëmie gaat hand in hand met hypomagnesiëmie, maar treedt eerder op).
- Normo- of hypovolemische hyponatriëmie: stop thiazidediuretica en overleg zo nodig met de internist of cardioloog over overige diuretica, zoutinname en eventuele vochtbeperking.
Medicatie bij dehydratie
Bij koorts, braken, diarree en/of een verhoogd risico op dehydratie kan aanpassing van veelgebruikte medicatie nodig zijn. Hervat de medicatie zodra de patiënt hersteld is.
| Middel | Advies bij (risico op) dehydratie |
|---|---|
| Metformine | staak tijdelijk (risico op lactaatacidose) |
| SGLT2-remmers | staak tijdelijk (risico op euglykemische ketoacidose) |
| SU-derivaten | overweeg glimepiride en tolbutamide tijdelijk te staken; gliclazide alleen bij sterk verminderde koolhydraatintake |
| Insuline | overweeg snelwerkende insuline tijdelijk te staken bij geen/zeer weinig intake; (middel)langwerkende insuline niet staken |
| RAS-remmers / aldosteronantagonisten | overweeg tijdelijk te halveren |
| Diuretica | overweeg tijdelijk te staken (bij hartfalen lisdiuretica halveren) |
| Overige antihypertensiva | overweeg tijdelijk te halveren of staken |
| NSAID's | staken (indien mogelijk definitief) |
Controles
- Controleer de bloeddruk
1-2 keer per jaarbij een goed ingestelde bloeddruk (streefwaarde bereikt, geen acceptabele bijwerkingen); vaker indien dit niet het geval is. - Bij gebruik van diureticum, ACE-remmer of ARB: jaarlijks creatinine,
eGFR, natrium en kalium; vaker (bijvoorbeeld elke 3 maanden) op indicatie, bijvoorbeeld bij eGFR <30, instabiel hartfalen, kwetsbare ouderen of eerdere elektrolytafwijkingen.
Bron
- NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement (M84), versie 4.1, september 2024; richtlijnen.nhg.org.
- Praktische handleiding bij de NHG-Standaard CVRM, versie 3.2, maart 2026 (NHG); tabel 5-6, figuur 1, therapieschema bloeddrukbehandeling.
- Doseringen: stem af op het NHG-Formularium en het Farmacotherapeutisch Kompas; pas aan bij verminderde nierfunctie.
Hypertensie
Diagnostiek van verhoogde bloeddruk: betrouwbaar meten in de spreekkamer, witte-jas- en gemaskeerde hypertensie, ambulante meting, vaststellen van verhoogde bloeddruk en secundaire oorzaken. Behandeling valt onder CVRM.
Hypercholesterolemie
Lipidenverlagende behandeling bij CVRM: LDL-streefwaarden, gewenste LDL-daling, het stappenplan met statinedoseringen, ezetimib, beleid bij spierklachten en stopcriteria bij ouderen.