Hartkloppingen
Kernpunten
- Hartkloppingen = subjectieve, onaangename gewaarwording van de hartslag (bonzen, snel, traag, onregelmatig, overslaan).
- Klacht is bij de dokter vrijwel altijd weg → een
12-kanaals-ECG tijdens klachten is de gouden standaard, lukt slechts bij~31 %in de huisartspraktijk. - Volkomen onregelmatige + inaequale pols → boezemfibrilleren (sens
94 %, spec72 %t.o.v. ECG). - Risico op AF verdubbelt per
10 levensjaren; bij jongeren denk eerder aan AVNRT of paniek. - Slechts
~40 %van de patiënten heeft tíjdens klachten een ECG-afwijking; veel ECG-aritmieën worden níét door de patiënt gevoeld. 67 %van patiënten met supraventriculaire tachycardie heeft óók een paniekstoornis — label niet te snel als psychiatrisch.- Alarmsignalen: output-falen tijdens aanval, symptomatische bradycardie
< 40, tachycardie bij beschadigd hart, familiaire acute hartdood< 45 j.
De klacht bij de dokter
- Bevolking:
8 %van de Nederlanders (> 12 j) had de afgelopen2 wekenhartkloppingen; vrouwen2×zo vaak als mannen. Kinderen vrijwel nooit. - Incidentie huisarts:
9/1000ingeschreven patiënten per jaar nieuwe klachten. Piek65–74 j(mannen0,8 %, vrouwen2,1 %). - Diagnostisch dilemma: te veel onderzoek → angstinductie; te weinig → missen van een ritmestoornis.
- Eerste vraag: cardiaal of niet? Bij cardiaal: behandelnoodzaak, termijn, door wie?
- Beloop na
1 jaar:~75 %houdt hinder,12 %verzuimt werk; mortaliteit gemiddeld niet verhoogd.
Pathofysiologie
Normale prikkelvorming en -geleiding
- SA-knoop (rechteratrium) = primaire pacemaker
60–100/min, snelste repolariseerder. - Route: SA → atria (P-top) → AV-knoop (vertraging) → bundel van His → bundeltakken → Purkinje → ventrikels (QRS) → repolarisatie (T-top).
- Latente pacemakers (atrium, AV-knoop, His, Purkinje) springen in bij SA-uitval → escaperitme, meestal trager.
- Autonome sturing: adrenerg (inspanning, emotie, pijn, O₂-tekort) versnelt; vagaal (sinus caroticus, misselijkheid) vertraagt.
- Starling: meer uitrekking → krachtiger contractie → verklaart het "bonzen" na een pauze.
Mechanismen van ritmestoornissen
Impuls dooft niet uit maar circuleert.
- Atrium: boezemflutter (regelmatig), boezemtachycardie (regelmatig), boezemfibrilleren (chaotisch).
- AV-knoop: AVNRT — meest frequente paroxismale SVT.
- Atrium + ventrikel via bundel van Kent: AVRT ( ).
- Ventrikel: kamertachycardie.
Extrasystolen kunnen een cirkel zowel starten als stoppen.
- 1e graads: verlengd
PQ, geen klachten. - 2e graads Mobitz I (Wenckebach): oplopend
PQtot een slag uitvalt. - 2e graads Mobitz II: plots blok zonder vertraging, vaak
2:1,3:1,4:1. - 3e graads: AV-dissociatie, escaperitme
< 40/min, breed QRS → duizeligheid, Adams-Stokes-aanval, vermoeidheid.
Differentiële diagnose
Indeling: cardiaal (extrasystolie, aritmie, structurele afwijking) versus extracardiaal (metabool, medicatie, stimulantia, psychiatrisch, zwangerschap/koorts/anemie/shock). Elk uit zich als bradycardie (< 60), normale frequentie (60–100) of tachycardie (> 100).
Tachycardie
Smal-complex (normaal QRS) versus breed-complex (ventriculair óf supraventriculair met aberrantie).
Sinustachycardie. Meestal secundair:
- koorts, zwangerschap, shock, anemie
- hyperthyreoïdie, hypoglykemie, feochromocytoom (zeldzaam, aanvalsgewijs)
- medicatie: bètamimetica (salbutamol), vasodilatantia, antiaritmica
- genotmiddelen: cafeïne, nicotine, cocaïne, amfetamine
- psychiatrisch: angst, paniek, nervositeit
- AVNRT: meest frequent. Jonge mensen (v > m), gezond hart,
150–250/min, soms duizelig, duur seconden tot uren. - Boezemflutter: ouderen, beschadigd hart. Atria
250–350/min(meestal300), bij2:1AV-blok kamerfrequentie~150. - Boezemtachycardie: ectopisch, vaak bij klepgebreken of coronairlijden.
- AVRT (Wolff-Parkinson-White): zeldzaam, congenitaal (extra bundel van Kent), delta-golf in rust.
- Kamertachycardie: ernstig, soms levensbedreigend, vrijwel altijd in beschadigd hart.
Boezemfibrilleren. Meest voorkomende ritmestoornis op oudere leeftijd. Volledig onregelmatige pols. Klachten variabel — kortademigheid, duizeligheid, verminderde inspanningstolerantie. Soms eerste presentatie = ischemisch CVA (incidentie 4,2 %, ~5× hoger dan zonder AF) door trombusvorming in linker hartoor.
Reversibele triggers: koorts, anemie, hyperthyreoïdie, inspanning, stress, alcohol, koffie, drugs, bètamimetica, levothyroxine-overdosering.
Sick sinus syndrome = slecht functionerende SA-knoop met afwisselend bradycardie, AF en SA-blok. Onderliggende oorzaak, geen aparte entiteit.
Bradycardie
- Cardiaal: groot slagvolume (sporthart), sick sinus syndrome, AV-blok (vooral na MI of coronairlijden). Derdegraads AV-blok → escaperitme
< 40. - Extracardiaal: bètablokkers, digoxine, hypothyreoïdie, vagale stimulering.
Normale frequentie met klachten
- Toegenomen opmerkzaamheid: stille omgeving, liggen op linkerzij — normale slag wordt opgemerkt.
- Verhoogd hartminuutvolume / contractiekracht: sympathicotonus, aortaklepinsufficiëntie (klassiek "bonzen"), zwangerschap.
- Extrasystolen: vroege slag + langere pauze + krachtige volgende slag (volle vulling). BES (atriaal) of VES (ventriculair). Bij iedereen onschuldig. Doublet =
2achter elkaar;≥ 3 VES= kamertachycardie → denk aan myocardschade, hypertrofische cardiomyopathie, lange-QT.
Kansverdeling
Huisartsenpraktijk (FaMe-net, K04)
| Diagnose | Aandeel |
|---|---|
| Symptoomdiagnose K04 (hartkloppingen) | ~68 % |
| Hartritmestoornis n.a.o. | 3 % |
| Paroxismale tachycardie | 3 % |
| Boezemfibrilleren | 3 % |
| Hyperventilatiesyndroom | ~2 % |
| Angstig / gespannen | ~2 % |
| Geneesmiddelbijwerking | 1–2 % |
10 levensjaren verdubbelt het AF-risico (1 % bij jongeren tot 7 % bij 75+). Bij jongeren (15–24 j) domineren hyperventilatie (6 %) en angst (3 %). Bij Nederlands huisartsonderzoek met verdenking aritmie blijkt 28 % daadwerkelijk een aritmie te hebben, en 8 % behandeling nodig.Tweede lijn / SEH (Weber & Kapoor)
| Categorie | Aandoening | Aandeel |
|---|---|---|
Cardiaal (43 %) | Boezemfibrilleren | 10,0 % |
| Andere supraventriculaire tachycardie | 9,5 % | |
| Ventriculaire extrasystole | 7,9 % | |
| Boezemflutter | 5,8 % | |
| Boezemextrasystole | 3,2 % | |
| Hartbonzen bij klepafwijking | 2,2 % | |
| Ventriculaire tachycardie | 2,1 % | |
Niet-cardiaal (40,5 %) | Psychiatrie (angst, paniek) | 30,5 % |
| Medicatie / schildklier / koffie / anemie / cocaïne | 10,0 % | |
| Onverklaard | 16,3 % |
Voorkennis en context
Voorgeschiedenis stuurt de a-priorikans:
- Cardiovasculaire voorgeschiedenis (MI, ritmestoornis, hypertensie) → kans op pathologische ritmestoornis
4–5×hoger. - Oud MI → ventriculaire stoornis of geleidingsprobleem.
- Mitralisaandoening → boezemfibrilleren.
- Cardiovasculaire medicatie in gebruik → hogere kans op aritmie.
- Beschadigd hart verdraagt aritmie slechter → eerder hemodynamische problemen.
- Versterkende factoren: man, langere klachtduur, zware lichamelijke inspanning.
- Verlagen kans op pathologie: psychiatrische medicatie, bekende psychosociale problematiek, frequent attender, somatisatie.
- Familiair: acute hartdood of onverklaarde wegrakingen
< 45 j→ erfelijke aandoening (HCM, lange-QT, Brugada).
Anamnese
Zeven domeinen.
Frequentie
- Tachycardie
> 100, normaal60–100, bradycardie< 60. - Zeer snel (
> 200) → supraventriculair; ventriculair meestal langzamer. - Bradycardie
< 40zonder sporthart → denk ventriculair escaperitme.
Regelmaat
- Supraventriculaire tachyaritmie is altijd regulair, behalve boezemfibrilleren.
- Volkomen irregulair → boezemfibrilleren.
- Enkele irregulaire slag in regelmatig basisritme → extrasystole.
Duur en verloop
- Continu vs. aanvalsgewijs.
- Continue tachycardie → boezemfibrilleren of sinustachycardie.
- Aanvalsgewijs met geleidelijk begin/einde → sinustachycardie.
- Plotseling begin én einde → paroxismale supraventriculaire of ventriculaire tachycardie.
Begeleidende verschijnselen
- Polyurie: klassiek bij supraventriculaire ritmestoornis.
- Hyperthyreoïdie: afvallen, opgejaagd, nerveus, trillen, transpireren.
- Anemie: duizeligheid, kortademigheid.
- Hemodynamisch: flauwvallen, zwart-voor-de-ogen, vallen, dyspneu, verminderde inspanningstolerantie — alarmsymptomen.
- Angina pectoris: kan worden uitgelokt door verhoogde O₂-behoefte tijdens tachycardie.
- Vraag actief naar depressie, angst, somatisatie — anders worden ze gemist.
Medicatie en genotmiddelen
- Antiaritmica: kunnen paradoxaal aritmie uitlokken.
- Digitalis: vrijwel élke ritmestoornis.
- Bètamimetica, cafeïne, nicotine, cocaïne, amfetamine: extrasystolie en/of tachycardie.
Omstandigheden
- Angst/paniek kan luxeren — vraag wat eerst kwam.
- Adrenerge prikkeling (inspanning, heftige emotie) → idiopathische VT of lange-QT.
- In rust, vooral liggend op linkerzij — extrasystolen 's nachts beter gevoeld.
Familiair
- Acute hartdood of onverklaarde wegrakingen
< 45 j→ erfelijke aandoening (HCM, lange-QT, Brugada).
Vagale manoeuvre als diagnostisch hulpmiddel
- Valsalva, koud water drinken, druk op sinus caroticus → verlengt refractaire periode AV-knoop.
- Stopt de aanval → AV-knoop zat in het circuit (AVNRT, AVRT).
- Alleen vertraging, daarna terug → meestal supraventriculair zonder AV-knoop in circuit (AF, atriale tachycardie).
- Geen effect → denk ventriculaire of sinustachycardie.
Lichamelijk onderzoek
Buiten een aanval levert LO meestal weinig op, maar luister wél naar het hart: een geruis maakt structurele afwijking en daarmee aritmie waarschijnlijker. Tijdens een aanval: bloeddruk meten voor hemodynamisch effect.
Inspectie halsvenen
- Cannon waves (intermitterend, expansief): atrium contraheert tegen gesloten tricuspidalisklep → AV-dissociatie → ventriculaire tachycardie. Enkele cannon wave → kamerextrasystole.
- Frog sign: cannon waves bij élke slag tijdens tachycardie → AVNRT (atria en ventrikels gelijktijdig).
Palpatie pols
- Volkomen irregulair én inaequaal voor AF: spec
99 %, sens50 %. - Élke afwijking als abnormaal beschouwen → sens
95–100 %voor AF, PPV12–23 %. Gemiddeld: sens94 %, spec72 %t.o.v.12-kanaals-ECG. - Polsdeficit (meer slagen bij auscultatie dan palpatie): meestal AF, soms extrasystolie.
- Truc:
10kniebuigingen laten doen → extrasystolen verdwijnen vaak, AF-irregulariteit blijft.
Auscultatie
- Wisselende luidheid
S1bij regulair ritme → ventrikeltachycardie (AV-dissociatie). - Volkomen irregulair → boezemfibrilleren; inaequaliteit neemt af bij lagere frequentie.
- Extrasystole: vroege slag + langere pauze + extra gevulde volgende slag.
- Systolisch geruis + midsystolische click → mitralisprolaps.
- Luid systolisch geruis → (erfelijke) hypertrofische cardiomyopathie met uitstroombeperking.
Alarmsignalen
- Output-falen tijdens aanval: flauwvallen, ademnood, lage bloeddruk.
- Symptomatische bradycardie
< 40. - Tachycardie (en cannon waves) bij reeds beschadigd hart.
- Tachycardie bij familiaire belasting (acute hartdood / wegrakingen
< 45 j).
Aanvullend onderzoek
Anamnese en LO zijn onvoldoende om een ritmestoornis vast te stellen of uit te sluiten. Voor zekerheid: ECG tijdens klachten. In de huisartspraktijk lukt dat bij ~31 %.
12-kanaals-ECG
- Buiten een aanval alleen diagnostisch voor: geleidingsstoornis na MI en Wolff-Parkinson-White (zichtbare accessoire geleiding / delta-golf).
- Voor alle andere ritmestoornissen: ECG móét tíjdens klachten gemaakt worden.
Laboratorium
Op indicatie. Klap open voor wat je waarvoor aanvraagt en waar je op let.
Anemie geeft compensatoire sinustachycardie en kan AF uitlokken; daarnaast verklaart het duizeligheid en kortademigheid bij hartkloppingen.
- Vraag
Hb(en bij afwijkingMCV, ferritine) bij vermoeidheid, dyspneu, bleekheid of onverklaarde tachycardie. - Let op: bij chronische anemie kunnen klachten mild zijn ondanks lage
Hb— behandel oorzaak, niet alleen waarde.
Hyperthyreoïdie geeft sinustachycardie, AF (vooral > 60 j) en tremor; hypothyreoïdie kan bradycardie geven.
- Vraag
TSHbij elke onverklaarde tachycardie, AF, gewichtsverlies, transpireren, trillen of bij gebruik van amiodaron of levothyroxine. - Bij afwijkend
TSHaanvullendFT4(en zo nodigFT3). - Subklinische hyperthyreoïdie (laag
TSH, normaalFT4) verhoogt AF-risico bij ouderen.
Hypoglykemie geeft adrenerge respons: hartkloppingen, transpireren, trillen, honger.
- Meet glucose bij aanvalsgewijze hartkloppingen met zweten/trillen, vooral bij gebruik van insuline of sulfonylureum.
- Bij normale glucose buiten een aanval: overweeg eigen meter of voorbij-gegane episode.
Hypokaliëmie en hypomagnesiëmie verlengen het QT-interval en luxeren ventriculaire aritmie (incl. torsade de pointes).
- Vraag
KenMgbij gebruik van lis-/thiazidediuretica, laxantia-abusus, braken/diarree, alcoholisme, of bij ECG metQTc > 480 ms. - Streef bij ritmestoornis-risico
K ≥ 4,0 mmol/lenMg ≥ 0,8 mmol/l.
Digoxine heeft een smalle therapeutische breedte; toxiciteit veroorzaakt vrijwel élke ritmestoornis (BES, VES, AV-blok, bidirectionele VT) plus misselijkheid, anorexie, geel zien.
- Vraag spiegel bij digoxinegebruiker met nieuwe of veranderde aritmie, GI-klachten of nierfunctie-achteruitgang.
- Afnemen
≥ 6 una laatste dosis. Streef0,5–0,9 ng/ml; combineer metK,Mg, kreatinine.
Ambulante ECG-registratie
| Modaliteit | Eigenschappen |
|---|---|
Holter (24–48 u) | Continu, ook asymptomatisch. Bewegingsbeperkend → triggers (inspanning) niet altijd uit te lokken. Dagboek essentieel. Bij 4–30 % asymptomatische aritmieën, klinisch relevant? |
| Event-recorder PTER / ATER | Kleiner, langer te dragen (> 2 wk). PTER: patiënt activeert zelf. ATER: ook automatisch bij drempel-overschrijding → vangt asymptomatisch AF. Looprecording → periode vóór activatie analyseerbaar. Bij 83 % diagnose alsnog mogelijk waar Holter faalde (~80 % binnen 2 wk). |
| ECG-pleister (patch) | Sensor + batterij, geen draden. Comfortabel, langdurige registratie. Vooral voor AF-detectie. |
1****-kanaals-ECG (Alivecor Kardia®, MyDiagnostick®, sommige smartwatches) | Afleiding I via vingers/horloge-kroontje. AF: sens 98 %, spec 87 %. Puntmeting — niet continu. |
| PPG-smartwatch / -polsband | Fotoplethysmografie detecteert bloedvolumeveranderingen. AF: sens 86–100 %, spec 75–100 % (klinische setting); PPV 71–87 % in real-world. Sommige smartwatches: na afwijkende PPG volgt 1-kanaals-ECG. |
| Implantable loop-recorder (ILR) | Kleiner dan een USB-stick. Sporadische klachten (< 1×/mnd), onverklaarde syncope, post-MI-bewaking. Maanden tot jaren. Cardioloog. |
Specialistisch
- Echocardiografie bij verdenking structurele afwijking (klep, HCM), afwijkend ECG, hartgeruis of refractaire klachten.
- Elektrofysiologisch onderzoek (EFO): sluitstuk. Bepaalt type, oorsprong en mechanisme. Tijdens EFO RF- of cryoablatie → vaak definitieve uitschakeling van de aritmie-haard (AVNRT, AVRT, boezemflutter, sommige VT's).
- Pacemaker (indien aanwezig): kan diagnostisch worden uitgelezen.
Bijzondere groepen
Jongeren (15–35 j)
- AVNRT relatief frequent (gezond hart, v > m).
- Lange-QT, Brugada, HCM bij familie-anamnese — lage drempel voor verwijzing.
- Risico op misclassificatie als paniekstoornis — sluit organische oorzaak eerst uit.
Ouderen (> 65 j)
- Boezemfibrilleren dominant — screening,
CHA₂DS₂-VASc, antistolling overwegen. - Medicatie-review essentieel.
- Geleidingsstoornissen en sick sinus — overleg cardiologie bij symptomatische bradycardie.
Zwangeren
- Fysiologisch verhoogd hartminuutvolume → hartkloppingen vaker.
- Sluit hyperthyreoïdie uit. Denk aan longembolie bij plots ontstane kloppingen + dyspneu.
Sporters
- Fysiologische sinusbradycardie en eerstegraads AV-blok.
- VT tijdens of direct na inspanning → idiopathische VT, catecholaminerge polymorfe VT (CPVT), HCM, ARVC.
Verwijscriteria
- Spoed (
112/ direct cardioloog):- Output-falen, syncope, lage bloeddruk tijdens tachycardie.
- Symptomatische hooggradige bradycardie.
- Verdenking ventriculaire tachycardie.
- Cardioloog (niet-spoed):
- Boezemfibrilleren — start behandeling, tromboprofylaxe.
- Paroxismale SVT met frequente of invaliderende klachten — ablatie-evaluatie.
- Structurele hartafwijking op ECG / echo / familie-anamnese.
- Refractaire klachten na adequate eerstelijnsdiagnostiek.
- Internist / endocrinoloog:
- Verdenking hyperthyreoïdie of feochromocytoom.
- GGZ / huisarts-psycholoog:
- Paniekstoornis, angststoornis (na uitsluiten aritmie).
Verwant
- Hoofdpijn — bij hartkloppingen + hoofdpijn denk feochromocytoom of hyperthyreoïdie
- Verwardheid — bij hartkloppingen + delier: elektrolyt of hyperthyreoïdie
- Acute buikpijn — bij hartkloppingen + shock denk ruptuur of vaat
- Hypertensie — farmacologie
- Angina pectoris — bij hartkloppingen met pijn op de borst
- Hypothyreoïdie — differentiaal schildklier-tachycardie
Bron
Hoofdbron
- Lucassen WAM, Himmelreich JCL, Harskamp RE, Selder JL. Hartkloppingen. In: Diagnostiek van alledaagse klachten. Hoofdstuk 30. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2021. ISBN 978-90-368-2619-8 (print) / 978-90-368-2620-4 (e-book). DOI: 10.1007/978-90-368-2620-4_30.
Richtlijnen
- NHG-Standaard Atriumfibrilleren. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap.
- NHG-Standaard Hartfalen. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap.
- NHG-Standaard Schildklieraandoeningen. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap.
- Raviele A, Giada F, Bergfeldt L, et al. Management of patients with palpitations: a position paper from the European Heart Rhythm Association. Europace. 2011;13(7):920–934. DOI: 10.1093/europace/eur130.
Klassiek en aanvullend
- Zimetbaum P, Josephson ME. Evaluation of patients with palpitations. N Engl J Med. 1998;338(19):1369–1373. DOI: 10.1056/NEJM199805073381907.
- Thavendiranathan P, Bagai A, Khoo C, Dorian P, Choudhry NK. Does this patient with palpitations have a cardiac arrhythmia? JAMA. 2009;302(19):2135–2143. DOI: 10.1001/jama.2009.1673.
- Cooke G, Doust J, Sanders S. Is pulse palpation helpful in detecting atrial fibrillation? A systematic review. J Fam Pract. 2006;55(2):130–134.
- Himmelreich JCL, Karregat EPM, Lucassen WAM, et al. Diagnostic accuracy of a smartphone-operated, single-lead electrocardiography device for detection of rhythm and conduction abnormalities in primary care. Ann Fam Med. 2019;17(5):403–411. DOI: 10.1370/afm.2438.
- Perez MV, Mahaffey KW, Hedlin H, et al. Large-scale assessment of a smartwatch to identify atrial fibrillation. N Engl J Med. 2019;381(20):1909–1917. DOI: 10.1056/NEJMoa1901183.
- Weber BE, Kapoor WN. Evaluation and outcomes of patients with palpitations. Am J Med. 1996;100(2):138–148. DOI: 10.1016/S0002-9343(97)89451-X.
- Van Hemel NM, Atsma WAM. Klinische electrocardiografie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2000.