FarmaKaj Logo
KR

Hartkloppingen

Klinisch-redeneerkader bij hartkloppingen: cardiale versus extracardiale oorzaken, mechanismen van ritmestoornissen, anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullende diagnostiek met Holter, event-recorder, smartwatch-ECG en PPG.
Diagnostische samenvatting van Diagnostiek van alledaagse klachten (hoofdstuk 30, Lucassen, Himmelreich, Harskamp & Selder, 2021). Klinisch redeneren — geen behandelrichtlijn. Combineer met NHG-Standaarden Atriumfibrilleren en Hartfalen en lokaal protocol.

Kernpunten

  • Hartkloppingen = subjectieve, onaangename gewaarwording van de hartslag (bonzen, snel, traag, onregelmatig, overslaan).
  • Klacht is bij de dokter vrijwel altijd weg → een 12-kanaals-ECG tijdens klachten is de gouden standaard, lukt slechts bij ~31 % in de huisartspraktijk.
  • Volkomen onregelmatige + inaequale pols → boezemfibrilleren (sens 94 %, spec 72 % t.o.v. ECG).
  • Risico op AF verdubbelt per 10 levensjaren; bij jongeren denk eerder aan AVNRT of paniek.
  • Slechts ~40 % van de patiënten heeft tíjdens klachten een ECG-afwijking; veel ECG-aritmieën worden níét door de patiënt gevoeld.
  • 67 % van patiënten met supraventriculaire tachycardie heeft óók een paniekstoornis — label niet te snel als psychiatrisch.
  • Alarmsignalen: output-falen tijdens aanval, symptomatische bradycardie < 40, tachycardie bij beschadigd hart, familiaire acute hartdood < 45 j.

De klacht bij de dokter

  • Bevolking: 8 % van de Nederlanders (> 12 j) had de afgelopen 2 weken hartkloppingen; vrouwen zo vaak als mannen. Kinderen vrijwel nooit.
  • Incidentie huisarts: 9/1000 ingeschreven patiënten per jaar nieuwe klachten. Piek 65–74 j (mannen 0,8 %, vrouwen 2,1 %).
  • Diagnostisch dilemma: te veel onderzoek → angstinductie; te weinig → missen van een ritmestoornis.
  • Eerste vraag: cardiaal of niet? Bij cardiaal: behandelnoodzaak, termijn, door wie?
  • Beloop na 1 jaar: ~75 % houdt hinder, 12 % verzuimt werk; mortaliteit gemiddeld niet verhoogd.

Pathofysiologie

Normale prikkelvorming en -geleiding

  • SA-knoop (rechteratrium) = primaire pacemaker 60–100/min, snelste repolariseerder.
  • Route: SA → atria (P-top) → AV-knoop (vertraging) → bundel van His → bundeltakken → Purkinje → ventrikels (QRS) → repolarisatie (T-top).
  • Latente pacemakers (atrium, AV-knoop, His, Purkinje) springen in bij SA-uitval → escaperitme, meestal trager.
  • Autonome sturing: adrenerg (inspanning, emotie, pijn, O₂-tekort) versnelt; vagaal (sinus caroticus, misselijkheid) vertraagt.
  • Starling: meer uitrekking → krachtiger contractie → verklaart het "bonzen" na een pauze.

Mechanismen van ritmestoornissen

Differentiële diagnose

Indeling: cardiaal (extrasystolie, aritmie, structurele afwijking) versus extracardiaal (metabool, medicatie, stimulantia, psychiatrisch, zwangerschap/koorts/anemie/shock). Elk uit zich als bradycardie (< 60), normale frequentie (60–100) of tachycardie (> 100).

Tachycardie

Smal-complex (normaal QRS) versus breed-complex (ventriculair óf supraventriculair met aberrantie).

Bradycardie

  • Cardiaal: groot slagvolume (sporthart), sick sinus syndrome, AV-blok (vooral na MI of coronairlijden). Derdegraads AV-blok → escaperitme < 40.
  • Extracardiaal: bètablokkers, digoxine, hypothyreoïdie, vagale stimulering.

Normale frequentie met klachten

  • Toegenomen opmerkzaamheid: stille omgeving, liggen op linkerzij — normale slag wordt opgemerkt.
  • Verhoogd hartminuutvolume / contractiekracht: sympathicotonus, aortaklepinsufficiëntie (klassiek "bonzen"), zwangerschap.
  • Extrasystolen: vroege slag + langere pauze + krachtige volgende slag (volle vulling). BES (atriaal) of VES (ventriculair). Bij iedereen onschuldig. Doublet = 2 achter elkaar; ≥ 3 VES = kamertachycardie → denk aan myocardschade, hypertrofische cardiomyopathie, lange-QT.

Kansverdeling

Huisartsenpraktijk (FaMe-net, K04)

DiagnoseAandeel
Symptoomdiagnose K04 (hartkloppingen)~68 %
Hartritmestoornis n.a.o.3 %
Paroxismale tachycardie3 %
Boezemfibrilleren3 %
Hyperventilatiesyndroom~2 %
Angstig / gespannen~2 %
Geneesmiddelbijwerking1–2 %
Per 10 levensjaren verdubbelt het AF-risico (1 % bij jongeren tot 7 % bij 75+). Bij jongeren (15–24 j) domineren hyperventilatie (6 %) en angst (3 %). Bij Nederlands huisartsonderzoek met verdenking aritmie blijkt 28 % daadwerkelijk een aritmie te hebben, en 8 % behandeling nodig.

Tweede lijn / SEH (Weber & Kapoor)

CategorieAandoeningAandeel
Cardiaal (43 %)Boezemfibrilleren10,0 %
Andere supraventriculaire tachycardie9,5 %
Ventriculaire extrasystole7,9 %
Boezemflutter5,8 %
Boezemextrasystole3,2 %
Hartbonzen bij klepafwijking2,2 %
Ventriculaire tachycardie2,1 %
Niet-cardiaal (40,5 %)Psychiatrie (angst, paniek)30,5 %
Medicatie / schildklier / koffie / anemie / cocaïne10,0 %
Onverklaard16,3 %

Voorkennis en context

Voorgeschiedenis stuurt de a-priorikans:

  • Cardiovasculaire voorgeschiedenis (MI, ritmestoornis, hypertensie) → kans op pathologische ritmestoornis 4–5× hoger.
  • Oud MI → ventriculaire stoornis of geleidingsprobleem.
  • Mitralisaandoening → boezemfibrilleren.
  • Cardiovasculaire medicatie in gebruik → hogere kans op aritmie.
  • Beschadigd hart verdraagt aritmie slechter → eerder hemodynamische problemen.
  • Versterkende factoren: man, langere klachtduur, zware lichamelijke inspanning.
  • Verlagen kans op pathologie: psychiatrische medicatie, bekende psychosociale problematiek, frequent attender, somatisatie.
  • Familiair: acute hartdood of onverklaarde wegrakingen < 45 j → erfelijke aandoening (HCM, lange-QT, Brugada).

Anamnese

Zeven domeinen.

Frequentie

  • Tachycardie > 100, normaal 60–100, bradycardie < 60.
  • Zeer snel (> 200) → supraventriculair; ventriculair meestal langzamer.
  • Bradycardie < 40 zonder sporthart → denk ventriculair escaperitme.

Regelmaat

  • Supraventriculaire tachyaritmie is altijd regulair, behalve boezemfibrilleren.
  • Volkomen irregulair → boezemfibrilleren.
  • Enkele irregulaire slag in regelmatig basisritme → extrasystole.

Duur en verloop

  • Continu vs. aanvalsgewijs.
  • Continue tachycardie → boezemfibrilleren of sinustachycardie.
  • Aanvalsgewijs met geleidelijk begin/einde → sinustachycardie.
  • Plotseling begin én einde → paroxismale supraventriculaire of ventriculaire tachycardie.

Begeleidende verschijnselen

  • Polyurie: klassiek bij supraventriculaire ritmestoornis.
  • Hyperthyreoïdie: afvallen, opgejaagd, nerveus, trillen, transpireren.
  • Anemie: duizeligheid, kortademigheid.
  • Hemodynamisch: flauwvallen, zwart-voor-de-ogen, vallen, dyspneu, verminderde inspanningstolerantie — alarmsymptomen.
  • Angina pectoris: kan worden uitgelokt door verhoogde O₂-behoefte tijdens tachycardie.
  • Vraag actief naar depressie, angst, somatisatie — anders worden ze gemist.

Medicatie en genotmiddelen

  • Antiaritmica: kunnen paradoxaal aritmie uitlokken.
  • Digitalis: vrijwel élke ritmestoornis.
  • Bètamimetica, cafeïne, nicotine, cocaïne, amfetamine: extrasystolie en/of tachycardie.

Omstandigheden

  • Angst/paniek kan luxeren — vraag wat eerst kwam.
  • Adrenerge prikkeling (inspanning, heftige emotie) → idiopathische VT of lange-QT.
  • In rust, vooral liggend op linkerzij — extrasystolen 's nachts beter gevoeld.

Familiair

  • Acute hartdood of onverklaarde wegrakingen < 45 j → erfelijke aandoening (HCM, lange-QT, Brugada).

Vagale manoeuvre als diagnostisch hulpmiddel

  • Valsalva, koud water drinken, druk op sinus caroticus → verlengt refractaire periode AV-knoop.
  • Stopt de aanval → AV-knoop zat in het circuit (AVNRT, AVRT).
  • Alleen vertraging, daarna terug → meestal supraventriculair zonder AV-knoop in circuit (AF, atriale tachycardie).
  • Geen effect → denk ventriculaire of sinustachycardie.
Laat de patiënt het ritme op tafel tikken of leer patiënt/partner de pols voelen — geeft frequentie en regelmaat bij een volgende aanval.

Lichamelijk onderzoek

Buiten een aanval levert LO meestal weinig op, maar luister wél naar het hart: een geruis maakt structurele afwijking en daarmee aritmie waarschijnlijker. Tijdens een aanval: bloeddruk meten voor hemodynamisch effect.

Inspectie halsvenen

  • Cannon waves (intermitterend, expansief): atrium contraheert tegen gesloten tricuspidalisklep → AV-dissociatie → ventriculaire tachycardie. Enkele cannon wave → kamerextrasystole.
  • Frog sign: cannon waves bij élke slag tijdens tachycardie → AVNRT (atria en ventrikels gelijktijdig).

Palpatie pols

  • Volkomen irregulair én inaequaal voor AF: spec 99 %, sens 50 %.
  • Élke afwijking als abnormaal beschouwen → sens 95–100 % voor AF, PPV 12–23 %. Gemiddeld: sens 94 %, spec 72 % t.o.v. 12-kanaals-ECG.
  • Polsdeficit (meer slagen bij auscultatie dan palpatie): meestal AF, soms extrasystolie.
  • Truc: 10 kniebuigingen laten doen → extrasystolen verdwijnen vaak, AF-irregulariteit blijft.

Auscultatie

  • Wisselende luidheid S1 bij regulair ritme → ventrikeltachycardie (AV-dissociatie).
  • Volkomen irregulair → boezemfibrilleren; inaequaliteit neemt af bij lagere frequentie.
  • Extrasystole: vroege slag + langere pauze + extra gevulde volgende slag.
  • Systolisch geruis + midsystolische click → mitralisprolaps.
  • Luid systolisch geruis → (erfelijke) hypertrofische cardiomyopathie met uitstroombeperking.

Alarmsignalen

Direct overleg of verwijzing bij:
  • Output-falen tijdens aanval: flauwvallen, ademnood, lage bloeddruk.
  • Symptomatische bradycardie < 40.
  • Tachycardie (en cannon waves) bij reeds beschadigd hart.
  • Tachycardie bij familiaire belasting (acute hartdood / wegrakingen < 45 j).

Aanvullend onderzoek

Anamnese en LO zijn onvoldoende om een ritmestoornis vast te stellen of uit te sluiten. Voor zekerheid: ECG tijdens klachten. In de huisartspraktijk lukt dat bij ~31 %.

12-kanaals-ECG

  • Buiten een aanval alleen diagnostisch voor: geleidingsstoornis na MI en Wolff-Parkinson-White (zichtbare accessoire geleiding / delta-golf).
  • Voor alle andere ritmestoornissen: ECG móét tíjdens klachten gemaakt worden.

Laboratorium

Op indicatie. Klap open voor wat je waarvoor aanvraagt en waar je op let.

Ambulante ECG-registratie

ModaliteitEigenschappen
Holter (24–48 u)Continu, ook asymptomatisch. Bewegingsbeperkend → triggers (inspanning) niet altijd uit te lokken. Dagboek essentieel. Bij 4–30 % asymptomatische aritmieën, klinisch relevant?
Event-recorder PTER / ATERKleiner, langer te dragen (> 2 wk). PTER: patiënt activeert zelf. ATER: ook automatisch bij drempel-overschrijding → vangt asymptomatisch AF. Looprecording → periode vóór activatie analyseerbaar. Bij 83 % diagnose alsnog mogelijk waar Holter faalde (~80 % binnen 2 wk).
ECG-pleister (patch)Sensor + batterij, geen draden. Comfortabel, langdurige registratie. Vooral voor AF-detectie.
1****-kanaals-ECG (Alivecor Kardia®, MyDiagnostick®, sommige smartwatches)Afleiding I via vingers/horloge-kroontje. AF: sens 98 %, spec 87 %. Puntmeting — niet continu.
PPG-smartwatch / -polsbandFotoplethysmografie detecteert bloedvolumeveranderingen. AF: sens 86–100 %, spec 75–100 % (klinische setting); PPV 71–87 % in real-world. Sommige smartwatches: na afwijkende PPG volgt 1-kanaals-ECG.
Implantable loop-recorder (ILR)Kleiner dan een USB-stick. Sporadische klachten (< 1×/mnd), onverklaarde syncope, post-MI-bewaking. Maanden tot jaren. Cardioloog.

Specialistisch

  • Echocardiografie bij verdenking structurele afwijking (klep, HCM), afwijkend ECG, hartgeruis of refractaire klachten.
  • Elektrofysiologisch onderzoek (EFO): sluitstuk. Bepaalt type, oorsprong en mechanisme. Tijdens EFO RF- of cryoablatie → vaak definitieve uitschakeling van de aritmie-haard (AVNRT, AVRT, boezemflutter, sommige VT's).
  • Pacemaker (indien aanwezig): kan diagnostisch worden uitgelezen.

Bijzondere groepen

Jongeren (15–35 j)

  • AVNRT relatief frequent (gezond hart, v > m).
  • Lange-QT, Brugada, HCM bij familie-anamnese — lage drempel voor verwijzing.
  • Risico op misclassificatie als paniekstoornis — sluit organische oorzaak eerst uit.

Ouderen (> 65 j)

  • Boezemfibrilleren dominant — screening, CHA₂DS₂-VASc, antistolling overwegen.
  • Medicatie-review essentieel.
  • Geleidingsstoornissen en sick sinus — overleg cardiologie bij symptomatische bradycardie.

Zwangeren

  • Fysiologisch verhoogd hartminuutvolume → hartkloppingen vaker.
  • Sluit hyperthyreoïdie uit. Denk aan longembolie bij plots ontstane kloppingen + dyspneu.

Sporters

  • Fysiologische sinusbradycardie en eerstegraads AV-blok.
  • VT tijdens of direct na inspanning → idiopathische VT, catecholaminerge polymorfe VT (CPVT), HCM, ARVC.

Verwijscriteria

  • Spoed (112/ direct cardioloog):
    • Output-falen, syncope, lage bloeddruk tijdens tachycardie.
    • Symptomatische hooggradige bradycardie.
    • Verdenking ventriculaire tachycardie.
  • Cardioloog (niet-spoed):
    • Boezemfibrilleren — start behandeling, tromboprofylaxe.
    • Paroxismale SVT met frequente of invaliderende klachten — ablatie-evaluatie.
    • Structurele hartafwijking op ECG / echo / familie-anamnese.
    • Refractaire klachten na adequate eerstelijnsdiagnostiek.
  • Internist / endocrinoloog:
    • Verdenking hyperthyreoïdie of feochromocytoom.
  • GGZ / huisarts-psycholoog:
    • Paniekstoornis, angststoornis (na uitsluiten aritmie).

Verwant

Copyright © 2026 Kaj Kowalski