STOP-NL en START-NL criteria
≥ 70 jaar.Kernpunten
- STOP-NL V2 is domeingericht (vallen, cognitie, mictie/defecatie, cardiovasculaire belasting, bloeding, levensverwachting), niet meer per geneesmiddelgroep zoals 2020.
- Toepasbaar bij kwetsbare ouderen
≥ 70 jaar; weeg comorbiditeit en levensverwachting mee. - De afbouwadviezen per groep komen uit de NHG-Kennisdocumenten Minderen en stoppen van medicatie; zie de snelzoeker hieronder voor het afbouwschema en de aandachtspunten per criterium.
- Toepasbaar tijdens een medicatiebeoordeling met de apotheker; ook bruikbaar bij een nieuwe klacht (val, verwardheid, obstipatie) als triggerlijst om eerst aan bijwerking of interactie te denken vóór je een middel toevoegt.
- Therapeutisch doel:
- geneesmiddelgerelateerde schade verminderen (bijwerkingen, vallen, delier, bloedingen) met behoud van functioneren en kwaliteit van leven.
- overbehandeling opheffen door middelen zonder actuele indicatie te stoppen of te verlagen.
- onderbehandeling opheffen door ontbrekende, geïndiceerde middelen te starten (klassieke START-rol; in V2 grotendeels overgegaan naar reguliere NHG-Standaarden en CVRM).
Snel zoeken
Typ een middel (NSAID, tamsulosine), een klacht (vallen, bloeding) of een
criteriumnummer (B6). Klik Toelichting voor het afbouwschema en de
aandachtspunten uit het bijbehorende Kennisdocument.
- STOP A1Elk geneesmiddel zonder bewijs gebaseerde indicatie
Stop bij ontbreken van een op bewijs gebaseerde klinische indicatie.
- STOP A2Elk geneesmiddel buiten behandeldoel
Stop wanneer het middel niet past bij het behandeldoel van de patiënt.
- STOP A3Elk geneesmiddel langer dan aanbevolen duur
Stop wanneer de behandelduur de aanbevolen termijn voor de indicatie overschrijdt.
- STOP A4Dubbelmedicatie binnen één groep
Verschillende middelen uit dezelfde geneesmiddelgroep zonder additioneel effect.
- STOP B1Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon)
Valrisico door sedatie en balansverslechtering.
- STOP B2Antipsychotica
Valrisico door orthostatische hypotensie en sedatie.
- STOP B3Opioïden
Valrisico door sedatie en duizeligheid.
- STOP B4Antidepressiva
Valrisico via orthostatische hypotensie, sedatie en hyponatriëmie.
- STOP B5Anti-epileptica
Valrisico door sedatie en balansstoornissen.
- STOP B6Diuretica
Bij (orthostatische) hypotensie, duizeligheid, elektrolytstoornissen of urge-incontinentie.
- STOP B7Alfablokkers
Valrisico via orthostatische hypotensie.
- STOP B8Centraal werkende antihypertensiva
Clonidine, guanfacine, methyldopa, moxonidine. Bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid.
- STOP B9Antihistaminica (1e gen + hoge dosering 2e gen)
Bij verwardheid, slaperigheid, duizeligheid, wazig zien. 1e gen: clemastine, promethazine. 2e: (des)loratadine, (levo)cetirizine.
- STOP B10Vasodilatatoren voor cardiale aandoeningen
Alfablokkers, nitraten. Bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid.
- STOP B11Urologische spasmolytica
Anticholinerge belasting; valrisico via sufheid en verwardheid.
- STOP C1Antidepressiva
Met name TCA's en paroxetine; sterke anticholinerge belasting.
- STOP C2Urologische spasmolytica
Anticholinerge belasting verergert cognitieve klachten en delier.
- STOP C3Antihistaminica (1e gen + hoge dosering 2e gen)
Anticholinerge belasting. 1e gen: clemastine, promethazine. 2e: (des)loratadine, (levo)cetirizine.
- STOP C4Antipsychotica
Verhoogd risico op verslechtering van cognitie en delier.
- STOP C5Anticholinerge belasting (ACB-score ≥ 2)
Combinatie middelen met anticholinerge eigenschappen; controleer via de ACB-calculator.
- STOP C6Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon)
Verhoogd risico op sedatie, verwardheid en delier.
- STOP C7Antiparkinson-/parkinsonisme-middelen (Lewy body)
Anticholinerge tremor-middelen (biperideen, trihexyfenidyl), amantadine, dopamine-agonisten, MAO-B- en COMT-remmers. Bij Parkinson met Lewy body-dementie.
- STOP C8Opioïden
Verergering cognitieve stoornissen door sedatie.
- STOP C9Anti-epileptica
Verergering cognitieve stoornissen.
- STOP C10Spierrelaxantia
Baclofen, dantroleen, tizanidine. Verergering cognitieve stoornissen.
- STOP D1Lisdiuretica
Bij obstructieve mictieklachten of urge-incontinentie (urgency, nycturie).
- STOP D2Inhalatieparasympathicolytica
Aclidinium, glycopyrronium, ipratropium, tiotropium, umeclidinium. Bij obstructieve mictieklachten, urineretentie of obstipatie.
- STOP D3Anticholinergica (zie C1-C5)
Bij urineretentie, prostatisme of obstipatie.
- STOP D4Cholinesteraseremmers
Donepezil, galantamine, rivastigmine. Bij incontinentie.
- STOP D5Opioïden
Verhoogd risico op obstipatie en urineretentie.
- STOP D6Verapamil
Bij obstipatie.
- STOP D7IJzerpreparaten
Bij obstipatie. Overweeg lagere dosering of intraveneuze toedieningsvorm.
- STOP E1NSAID's
Bij hartfalen, eGFR < 60 ml/min, ernstige hypertensie, combinatie met ACE-remmer/ARB, of voorgeschiedenis van vaatlijden.
- STOP E2Digoxine
Bij hartfalen zonder atriumfibrilleren. Bij AF eventueel lagere dosering.
- STOP E3Amiodaron
Hoger bijwerkingsrisico dan andere antiaritmica.
- STOP E4Klasse I- en IV-antiaritmica
Klasse IA/IC: flecainide, kinidine, propafenon. Klasse IV: diltiazem, verapamil. Bij hartfalen of combinatie met bètablokker.
- STOP E5Fosfodiësterase-5-remmers
Avanafil, sildenafil, tadalafil, vardenafil. Bij ernstig hartfalen met hypotensie of gelijktijdig nitraatgebruik.
- STOP E6QT-verlengende medicatie
Zie de tabel QT-verlengende geneesmiddelen.
- STOP E7Bètablokkers
Bij bradycardie (< 50/min) of AV-blok.
- STOP E8Lisdiuretica
Bij perifeer oedeem zonder hartfalen.
- STOP E9Cholinesteraseremmers
Donepezil, galantamine, rivastigmine. Bij bradycardie (< 60/min) of AV-blok.
- STOP E10Tricyclische antidepressiva
Bij hartfalen met prikkelgeleidingsstoornissen of ischemische hartziekten.
- STOP F1NSAID's of acetylsalicylzuur
Extra voorzichtig bij combinatie met SSRI's, TAR, anticoagulantia, corticosteroïden of aldosteronantagonisten. Overweeg maagbescherming.
- STOP F2(Dubbele) antitrombotica zonder indicatie
Combinatie TAR/anticoagulantia zonder geldige indicatie.
- STOP G1Lipidenverlagende middelen
Geen direct symptomatisch voordeel.
- STOP G2Antihypertensiva
Geen direct symptomatisch voordeel.
- STOP G3Nitraten
Bij geen angineuze symptomen in de afgelopen 12 maanden of geen geobjectiveerd coronair lijden.
- STOP G4Anticoagulantia (VKA's en DOAC's)
Heroverweeg de preventieve indicatie.
- STOP G5Trombocytenaggregatieremmers
Heroverweeg de preventieve indicatie.
- STOP G6Protonpompremmers en H2-antagonisten
Wees alert op reboundklachten bij afbouwen.
- STOP G7Vitamines en mineralen
Foliumzuur wél continueren bij methotrexaatgebruik.
- STOP G8Medicatie bij osteoporose en fractuurpreventie
Bisfosfonaten, calcium/vitamine D.
- STOP G9Systemische corticosteroïden
Bij chronisch gebruik (> 2 maanden), tenzij palliatief voorgeschreven.
- STOP G105-alfa-reductaseremmers en alfablokkers
Bij verblijfskatheter.
- STOP G11Urologische spasmolytica
Bij volledige incontinentie.
- STOP G12Bloedglucoseverlagende middelen
Heroverweeg de streefwaarden bij beperkte levensverwachting.
- START START-CV-1Cumarine of DOAC
Bij chronisch atriumfibrilleren. Uitzondering: mannen 65-75 jaar zonder CV-comorbiditeit.
- START START-CV-2Trombocytenaggregatieremmer (ASA, clopidogrel, prasugrel, ticagrelor)
Bij coronair, cerebraal of perifeer arterieel vaatlijden in sinusritme, indien geen cumarine/DOAC.
- START START-CV-3Antihypertensivum
Bij meermalen SBD > 150 mmHg (DBD > 70 mmHg) na onvoldoende leefstijleffect. Bij SBD > 180 direct; bij SBD > 170 + hoog CV-risico twee bloeddrukverlagers tegelijk.
- START START-CV-4Statine
Bij CV-voorgeschiedenis én LDL > 2,5 mmol/l én voldoende resterende levensverwachting.
- START START-CV-5ACE-remmer (of ARB bij bijwerkingen)
Bij HFrEF en/of coronaire hartziekte.
- START START-CV-6Bètablokker
Na myocardinfarct of bij stabiele angina pectoris.
- START START-CV-7Cardioselectieve bètablokker (metoprolol, bisoprolol, nebivolol)
Bij HFrEF (verminderde linkerventrikelejectiefractie).
- START START-R-1Inhalatiecorticosteroïd (ICS) proefbehandeling
Bij COPD met frequente exacerbaties (≥ 2/jaar) ondanks langwerkende luchtwegverwijder. Evalueer na 1 jaar; stop als exacerbaties niet afnemen.
- START START-CZS-1Antiparkinsonmiddel (levodopa/decarboxylaseremmer of dopamine-agonist)
Bij ziekte van Parkinson met functionele beperkingen.
- START START-CZS-2Prostaglandine-analoog of bètablokker als oogdruppels
Bij primair openkamerhoekglaucoom.
- START START-CZS-3SSRI
Bij persisterende ernstige angst met functionele beperking. Bij contra-indicatie: SNRI of pregabaline.
- START START-CZS-4Dopamine-agonist (ropinirol, pramipexol, rotigotine)
Bij ernstig restless legs syndroom met onacceptabele lijdensdruk; alleen na uitsluiten ijzertekort en ernstig nierfalen.
- START START-CZS-5SSRI
Ter behandeling van depressie bij patiënten met suïcidaliteit.
- START START-CZS-6Antidepressivum-voorkeur
Bij indicatie: SSRI met lage interactiekans ((es)citalopram of sertraline). Bij TCA-keuze: nortriptyline (minst anticholinerg).
- START START-GI-1Protonpompremmer
Bij ernstige gastro-oesofageale refluxziekte of peptische strictuur waarvoor dilatatie nodig is.
- START START-GI-2aProtonpompremmer
Bij NSAID-gebruikers (maagbescherming).
- START START-GI-2bProtonpompremmer bij ASA-gebruikers
Bij 70-80 jaar mét comedicatie (cumarine, DOAC, P2Y12-remmer, heparine, corticosteroïd, spironolacton, SSRI, venlafaxine, duloxetine, trazodon) of bij > 80 jaar.
- START START-GI-3Vezelsupplement of macrogol
Bij chronische symptomatische diverticulose met obstipatie.
- START START-BW-1Bisfosfonaat + vitamine D + calcium
Bij > 3 maanden onderhoudstherapie met ≥ 7,5 mg prednison/dag (of equivalent).
- START START-BW-2Vitamine D en calcium
Bij osteoporose, tenzij voldoende inname.
- START START-BW-3Bisfosfonaten, denosumab of teriparatide
Bij gedocumenteerde osteoporose (T-score ≤ -2,5).
- START START-BW-4Xanthineoxidaseremmer (allopurinol)
Bij recidiverende jicht (> 3/jaar) of jichttophi.
- START START-BW-5Foliumzuur
Bij methotrexaatgebruik.
- START START-EN-1ACE-remmer (of ARB bij bijwerkingen)
Bij diabetes mellitus met nierschade (microalbuminurie > 30 mg/24h; eventueel met eGFR < 50 ml/min). Pas dosering aan bij verminderde nierfunctie.
- START START-UG-1Alfa-1-blokker of 5-alfa-reductaseremmer
Bij symptomatisch prostatisme, indien prostatectomie onnodig of ongewenst.
- START START-UG-2Vaginaal oestrogeen of oestrogeenpessarium
Bij symptomatische atrofische vaginitis. Monitor elke 6 maanden op staken.
- START START-AN-1Sterkwerkend opioïd (geen methadon)
Alleen bij ernstige pijn, korte duur, indien paracetamol/NSAID/zwakker opioïd niet effectief of gecontra-indiceerd; streef naar paracetamol als basis.
- START START-AN-2Kortwerkend opioïd
Bij behandeling met langwerkend opioïd, voor doorbraakpijn.
- START START-AN-3Laxeermiddel (macrogol, lactulose, magnesiumhydroxide)
Bij opioïdgebruik.
STOP-NL V2 (versie 2026)
Bron: STOP-NL V2 instrument (NHG, KNMP, SIR, Ephor; dec 2025). De kolom Afbouw vat het NHG-Kennisdocument samen; de snelzoeker hierboven geeft het volledige schema en de aandachtspunten.
A. Stoppen algemeen
Overweeg het stoppen van:
| Nr. | Geneesmiddel |
|---|---|
| A1 | Elk geneesmiddel zonder een op bewijs gebaseerde klinische indicatie |
| A2 | Elk geneesmiddel dat niet past bij het behandeldoel van de patiënt |
| A3 | Elk geneesmiddel langer dan de aanbevolen duur voor de indicatie |
| A4 | Dubbelmedicatie (verschillende middelen uit dezelfde groep zonder meerwaarde) |
B. Vallen
Genoemde groepen verhogen het valrisico via (orthostatische) hypotensie, balansverslechtering of sedatie.
| Nr. | Geneesmiddelgroep | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| B1 | Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon) | Valrisico door sedatie en balansverslechtering | Bij gebruik > 1 maand niet abrupt: -25%/week, laatste weken 12,5% |
| B2 | Antipsychotica | Valrisico door orthostatische hypotensie en sedatie | In stappen: -25% per 1-2 weken; depot mag direct stoppen |
| B3 | Opioïden | Valrisico door sedatie en duizeligheid | Bij gebruik ≥ 4 weken nooit abrupt: -10-25%/week, eerst kortwerkend |
| B4 | Antidepressiva | Valrisico via orthostase, sedatie en hyponatriëmie | Nooit abrupt, in ≥ 2-4 weken; fluoxetine mag in 1 keer |
| B5 | Anti-epileptica | Valrisico door sedatie en balansstoornissen | Stapsgewijs; bij epilepsie ≥ 2-3 maanden, i.o.m. neuroloog |
| B6 | Diuretica | Bij (orthostatische) hypotensie, duizeligheid, elektrolytstoornissen of urge-incontinentie | Bij dehydratie + nierfunctieverlies acuut staken (mits geen hartfalen) |
| B7 | Alfablokkers | Valrisico via orthostatische hypotensie | Mag in 1 keer; bij combinatie eerst de alfablokker stoppen |
| B8 | Centraal werkende antihypertensiva | Clonidine, guanfacine, methyldopa, moxonidine; bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid | Stapsgewijs, let op reboundhypertensie |
| B9 | Antihistaminica (1e gen + hoog 2e gen) | Bij verwardheid, slaperigheid, duizeligheid, wazig zien. 1e gen: clemastine, promethazine | Op indicatie; geen apart afbouwschema |
| B10 | Vasodilatatoren voor cardiale aandoeningen | Alfablokkers, nitraten; bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid | Op indicatie; geen apart afbouwschema |
| B11 | Urologische spasmolytica | Anticholinerge belasting; valrisico via sufheid en verwardheid | Mag in 1 keer (geen afbouwprocedure) |
C. Verminderde cognitieve functies
Overweeg stoppen bij cognitieve achteruitgang, sufheid/sedatie of delier.
| Nr. | Geneesmiddelgroep | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| C1 | Antidepressiva | Vooral TCA's en paroxetine (anticholinerg) | Nooit abrupt, ≥ 2-4 weken; nortriptyline = minst anticholinerg |
| C2 | Urologische spasmolytica | Anticholinerge belasting verergert cognitie en delier | Mag in 1 keer; bij blijvende hinder mirabegron overwegen |
| C3 | Antihistaminica (1e gen + hoog 2e gen) | Anticholinerge belasting. 1e gen: clemastine, promethazine; 2e: (des)loratadine, (levo)cetirizine | Op indicatie; geen apart afbouwschema |
| C4 | Antipsychotica | Verslechtering van cognitie en delier | In stappen -25% per 1-2 weken; bij psychiater overleggen |
| C5 | Anticholinerge belasting (ACB-score ≥ 2) | Combinatie middelen met anticholinerge eigenschappen; bereken via de ACB-calculator | Stop/verlaag het zwaarst belastende middel eerst |
| C6 | Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon) | Sedatie, verwardheid, delier | Bij gebruik > 1 maand niet abrupt: -25%/week |
| C7 | Antiparkinson-/parkinsonisme-middelen (Lewy body) | Anticholinerge tremor-middelen (biperideen, trihexyfenidyl), amantadine, dopamine-agonisten, MAO-B- en COMT-remmers | I.o.m. neuroloog; stapsgewijs |
| C8 | Opioïden | Verergering cognitie door sedatie | Bij gebruik ≥ 4 weken nooit abrupt: -10-25%/week |
| C9 | Anti-epileptica | Verergering cognitie | Stapsgewijs; bij epilepsie ≥ 2-3 maanden, i.o.m. neuroloog |
| C10 | Spierrelaxantia | Baclofen, dantroleen, tizanidine; verergering cognitieve stoornissen | Stapsgewijs (onttrekking mogelijk) |
D. Mictie- en defecatieproblemen
Genoemde middelen kunnen urineretentie, incontinentie of obstipatie veroorzaken. Overweeg een alternatief of staken bij mictie- of defecatieproblemen.
| Nr. | Geneesmiddel(groep) | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| D1 | Lisdiuretica | Bij obstructieve mictieklachten of urge-incontinentie | Op indicatie; bij dehydratie acuut staken (mits geen hartfalen) |
| D2 | Inhalatieparasympathicolytica (aclidinium, glycopyrronium, ipratropium, tiotropium, umeclidinium) | Bij obstructieve mictieklachten, urineretentie of obstipatie | Op indicatie; overweeg alternatieve luchtwegverwijder |
| D3 | Anticholinergica (zie ook C1 t/m C5) | Bij urineretentie, prostatisme of obstipatie | Zie het betreffende criterium hierboven |
| D4 | Cholinesteraseremmers (donepezil, galantamine, rivastigmine) | Bij incontinentie | Stapsgewijs; herstart bij verslechtering cognitie |
| D5 | Opioïden | Bij obstipatie of urineretentie | Bij gebruik ≥ 4 weken nooit abrupt: -10-25%/week; geef laxans |
| D6 | Verapamil | Bij obstipatie | Stapsgewijs als antihypertensivum; anders op indicatie |
| D7 | IJzerpreparaten | Bij obstipatie | Lagere dosering of intraveneuze toedieningsvorm overwegen |
E. Cardiovasculaire belasting
Hogere kans op cardiovasculaire bijwerkingen, ritme- of elektrolytstoornissen.
| Nr. | Geneesmiddel(groep) | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| E1 | NSAID's | Bij hartfalen, eGFR < 60 ml/min, ernstige hypertensie, combinatie met ACE-remmer/ARB, of voorgeschiedenis vaatlijden | Op indicatie staken |
| E2 | Digoxine | Bij hartfalen zonder atriumfibrilleren. Bij AF eventueel lagere dosering | Op indicatie; controleer spiegel/nierfunctie |
| E3 | Amiodaron | Hoger bijwerkingsrisico dan andere antiaritmica | Lange halfwaardetijd; effect houdt weken aan |
| E4 | Klasse I- en IV-antiaritmica (flecainide, kinidine, propafenon; diltiazem, verapamil) | Bij hartfalen of combinatie met bètablokker (klasse IV) | Op indicatie; overleg cardioloog |
| E5 | Fosfodiësterase-5-remmers (avanafil, sildenafil, tadalafil, vardenafil) | Bij ernstig hartfalen met hypotensie of gelijktijdig nitraatgebruik | Mag in 1 keer |
| E6 | QT-verlengende medicatie | Zie de tabel QT-verlengende geneesmiddelen | Op indicatie; controleer ECG/elektrolyten |
| E7 | Bètablokkers | Bij bradycardie (< 50/min) of AV-blok | Altijd stapsgewijs (rebound-tachycardie/tremor) |
| E8 | Lisdiuretica | Bij perifeer oedeem zonder hartfalen | Op indicatie; let op herstel oedeem |
| E9 | Cholinesteraseremmers (donepezil, galantamine, rivastigmine) | Bij bradycardie (< 60/min) of AV-blok | Stapsgewijs |
| E10 | Tricyclische antidepressiva | Bij hartfalen met prikkelgeleidingsstoornissen of ischemische hartziekten | Nooit abrupt: 25 mg per 2 weken |
F. Bloedingsrisico
Verhoogd risico op (maag)bloedingen.
| Nr. | Geneesmiddel | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| F1 | NSAID's of acetylsalicylzuur | Extra voorzichtig met SSRI's, trombocytenaggregatieremmers, anticoagulantia, corticosteroïden of aldosteronantagonisten; overweeg maagbescherming | Mag in 1 keer; weeg cardiovasculaire indicatie van ASA mee |
| F2 | (Dubbele) antitrombotica zonder indicatie | Combinatie trombocytenaggregatieremmers/anticoagulantia zonder geldige indicatie | Mag in 1 keer; let op verhoogd trombo-embolisch risico na staken |
G. Geringe resterende levensverwachting (< 1 jaar)
Overweeg te stoppen met preventieve medicatie zonder direct symptomatisch voordeel. Kwaliteit van leven staat voorop; staken mag niet leiden tot discomfort. Raadpleeg ook de Pallialine-richtlijnen.
| Nr. | Geneesmiddelgroep | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| G1 | Lipidenverlagende middelen | Geen direct symptomatisch voordeel | Mag in 1 keer |
| G2 | Antihypertensiva | Geen direct symptomatisch voordeel | Max 1 middel tegelijk; bètablokker stapsgewijs |
| G3 | Nitraten | Bij geen angineuze symptomen in de afgelopen 12 maanden of geen coronair lijden | Stapsgewijs bij langdurig gebruik |
| G4 | Anticoagulantia (VKA's en DOAC's) | Heroverweeg de preventieve indicatie | Mag in 1 keer; niet bij hoog trombo-embolisch risico |
| G5 | Trombocytenaggregatieremmers | Heroverweeg de preventieve indicatie | Mag in 1 keer; CV-risico stijgt eerste 30 dagen na staken (na PCI) |
| G6 | Protonpompremmers en H2-antagonisten | Wees alert op rebound (zuurklachten, eerste 2-4 weken) | Halveer wekelijks tot 1 dd halve dosis, stop daarna |
| G7 | Vitamines en mineralen | Foliumzuur wél continueren bij methotrexaatgebruik | Mag in 1 keer |
| G8 | Medicatie bij osteoporose en fractuurpreventie | Bisfosfonaten, calcium/vitamine D | Oraal bisfosfonaat mag in 1 keer (resteffect); denosumab niet zonder nabehandeling |
| G9 | Systemische corticosteroïden | Bij chronisch gebruik (> 2 maanden), tenzij palliatief voorgeschreven | Stapsgewijs (bijnierschorsinsufficiëntie) |
| G10 | 5-alfa-reductaseremmers en alfablokkers | Bij verblijfskatheter | Mag in 1 keer |
| G11 | Urologische spasmolytica | Bij volledige incontinentie | Mag in 1 keer |
| G12 | Bloedglucoseverlagende middelen | Heroverweeg de streefwaarden bij beperkte levensverwachting | Oraal mag in 1 keer of afbouwen; behoud SGLT-2/GLP-1 bij hartfalen/nierschade |
START-NL 2020 (bijlage, officieel vervallen)
Cardiovasculair
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | Cumarine of DOAC bij chronisch atriumfibrilleren (uitzondering: mannen 65-75 jaar zonder CV-comorbiditeit) |
| 2 | Trombocytenaggregatieremmer (ASA, clopidogrel, prasugrel, ticagrelor) bij coronair, cerebraal of perifeer arterieel vaatlijden, en sinusritme, indien geen cumarine/DOAC |
| 3 | Antihypertensivum bij meermalen SBD > 150 mmHg (randvoorwaarde DBD > 70 mmHg); voorkeursmiddel per situatie (zie tabel hieronder) |
| 4 | Statine bij CV-voorgeschiedenis én LDL > 2,5 mmol/l én voldoende resterende levensverwachting |
| 5 | ACE-remmer (of ARB bij bijwerkingen) bij HFrEF en/of coronaire hartziekte |
| 6 | Bètablokker na myocardinfarct of stabiele angina pectoris |
| 7 | Cardioselectieve bètablokker (metoprolol, bisoprolol, nebivolol) bij HFrEF |
START 3: voorkeursmiddel per situatie
| Situatie | Medicatie |
|---|---|
Albuminurie (albumine/creatinine > 3 mg/mmol) | ACE-remmer of ARB |
| Eerder myocardinfarct/coronairlijden | Bètablokker, ACE-remmer of ARB |
| Angina pectoris | Bètablokker, calciumantagonist |
| Hartfalen | ACE-remmer of ARB, bètablokker, thiazidediureticum, aldosteronantagonist |
| Atriumfibrilleren | Bètablokker, non-dihydropyridine-calciumantagonist, ACE-remmer of ARB, aldosteronantagonist |
| Perifeer arterieel vaatlijden | ACE-remmer |
| Diabetes mellitus | ACE-remmer of ARB |
| West- of Zuid-Afrikaanse afkomst | Diureticum of calciumantagonist |
Respiratoir
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | ICS proefbehandeling bij COPD met frequente exacerbaties (≥ 2/jaar) ondanks langwerkende luchtwegverwijder; evalueer na 1 jaar en stop als exacerbaties niet afnemen |
Centraal zenuwstelsel en ogen
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | Antiparkinsonmiddel (levodopa/decarboxylaseremmer of dopamine-agonist) bij ziekte van Parkinson met functionele beperkingen |
| 2 | Prostaglandine-analoog of bètablokker als oogdruppels bij primair openkamerhoekglaucoom |
| 3 | SSRI bij persisterende ernstige angst die het dagelijks functioneren belemmert; bij contra-indicatie SNRI of pregabaline |
| 4 | Dopamine-agonist (ropinirol, pramipexol, rotigotine) bij ernstig restless legs syndroom met onaccept. lijdensdruk; alleen na uitsluiten ijzertekort en ernstig nierfalen |
| 5 | SSRI ter behandeling van depressie bij patiënten met suïcidaliteit |
| 6 | Bij antidepressivum-indicatie: kies SSRI met lage interactiekans ((es)citalopram of sertraline); bij TCA-keuze voorkeur voor nortriptyline (minst anticholinerg) |
Gastro-intestinaal
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | PPI bij ernstige gastro-oesofageale refluxziekte of peptische strictuur waarvoor dilatatie nodig is |
| 2a | PPI bij NSAID-gebruikers |
| 2b | PPI bij acetylsalicylzuur (TAR) én: 70-80 jaar oud én tegelijk cumarine, DOAC, P2Y12-remmer, heparine, systemisch corticosteroïd, spironolacton, SSRI, venlafaxine, duloxetine of trazodon; óf > 80 jaar |
| 3 | Vezelsupplement of macrogol bij chronische symptomatische diverticulose met obstipatie |
Bewegingsapparaat
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | Bisfosfonaat + vitamine D + calcium bij > 3 maanden onderhoudstherapie met ≥ 7,5 mg prednison/dag (of equivalent) |
| 2 | Vitamine D en calcium (tenzij voldoende inname) bij osteoporose |
| 3 | Bisfosfonaten, denosumab of teriparatide bij osteoporose (T-score ≤ -2,5) |
| 4 | Xanthineoxidaseremmer (allopurinol) bij recidiverende jicht (> 3/jaar) of jichttophi |
| 5 | Foliumzuur bij methotrexaat-gebruikers |
Endocrien
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | ACE-remmer (of ARB) bij DM met nierschade (micro-albuminurie > 30 mg/24 h; eventueel gecombineerd met eGFR < 50 ml/min); pas dosering aan bij verminderde nierfunctie |
Urogenitaal
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | Alfa-1-blokker of 5-alfa-reductaseremmer bij symptomatisch prostatisme, indien prostatectomie onnodig of ongewenst |
| 2 | Vaginaal oestrogeen of oestrogeenpessarium bij symptomatische atrofische vaginitis; monitor elke 6 maanden op staken |
Analgetica
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | Sterkwerkend opioïd (geen methadon) alleen bij ernstige pijn, voor korte duur, indien paracetamol/NSAID/zwakker opioïd niet effectief of gecontra-indiceerd; streef naar paracetamol als basis |
| 2 | Kortwerkend opioïd bij behandeling met langwerkend opioïd, voor doorbraakpijn |
| 3 | Laxeermiddel (macrogol, lactulose, magnesiumhydroxide) bij opioïdgebruik |
Toepassing op de STAT
- Bij een medicatiebeoordeling-casus (zie Polyfarmacie): loop achtereenvolgens STOP (welke middelen kunnen eraf?) en daarna START (welke ontbreken bij een passende indicatie?) langs.
- Noem expliciet je redenering per criterium: groep + risico-domein (vallen, cognitie, bloeding, ...) + wat je in plaats daarvan doet of toevoegt.
- Bij twijfel: ga uit van NHG-Standaarden + CVRM als referentie; STOP-NL V2 beperkt zich tot signaleren, niet tot behandelvoorschriften.
Bronnen
- STOP-NL V2 instrument (PDF, NHG, dec 2025): domeingericht
voor kwetsbare ouderen
≥ 70 jaar. - Themapagina STOP-NL V2 op NHG.org: context en autorisatiedatum.
- STOP-START-NL 2020 PDF: voorgaande versie, bevat de START-criteria.
- Multidisciplinaire Richtlijn Polyfarmacie bij ouderen (richtlijnen.nhg.org): hoofdrichtlijn met alle Kennisdocumenten "Minderen en stoppen van medicatie" (per geneesmiddelgroep, bron van de afbouwadviezen).
- Internationale referentie: O'Mahony D et al. STOPP/START criteria for potentially inappropriate prescribing in older people: version 3. Eur Geriatr Med 2023;14(4):625-632.
- Verwante FarmaKaj-pagina's: Polyfarmacie (standaardtherapie); Polyfarmacie (NHG-samenvatting).
Wondinfectie
Twee STAT-oefencasussen over een geïnfecteerde, gehechte snijwond met cellulitis, met SMAK-beleid, recept (flucloxacilline of bij penicilline-allergie claritromycine/clindamycine) en kennisvragen.
E-learnings
Toegankelijke samenvattingen van externe e-learning-modules uit de master Geneeskunde, hervormd naar scanbare prose en tabellen.