Diabetes mellitus type 2
Therapeutisch doel
- Complicaties voorkomen of vertragen: micro- en macrovasculaire schade (HVZ, nierschade, retino- en neuropathie, voetulcera).
HbA1cbinnen de individuele streefwaarde houden, zonder hypoglykemieën en zonder overbehandeling; streefwaarden nuchter glucose4,5-8 mmol/L, postprandiaal< 9 mmol/L.- Klachten van hyperglykemie verminderen en kwaliteit van leven behouden, met leefstijl als fundament.
Controleafspraak
- Bij start of ophogen: verhoog de dosering elke 2-4 weken op geleide van de nuchtere glucose; controleer op bijwerkingen.
- Driemaandelijks: welbevinden, hypo's/hypers, nuchter glucose, gewicht, bloeddruk.
- Jaarlijks: individuele streefwaarde,
HbA1c, creatinine meteGFR, kalium, albumine-creatinineratio, retinopathiescreening, voet- en CV-onderzoek.
Niet-medicamenteus
- Voorlichting: inzicht in de aandoening, herkennen van hypo's en hypers, haalbare leefstijldoelen.
- Niet roken; gezonde voeding (Richtlijnen Goede Voeding); afvallen bij
BMI > 25. - Voldoende bewegen: minimaal 5 dagen per week een halfuur; bij overgewicht een uur per dag matig-intensief.
- Behandel de cardiovasculaire risicofactoren (zie CVRM).
Medicamenteus
Twee stappenplannen, afhankelijk van het cardiovasculaire risico. Zonder zeer hoog risico:
metformine eerst. Met zeer hoog risico (doorgemaakte HVZ, hartfalen, of chronische nierschade met
verhoogd CV-risico): SGLT2-remmer eerst, mits niet-kwetsbaar, levensverwachting > 5 jaar en
eGFR > 10 ml/min.
Stap 1 zonder zeer hoog risico: metformine
- Contra-indicaties: ernstige nierfunctiestoornis (klaring
< 30 ml/min), leverinsufficiëntie, acute metabole acidose, hypoxie bij HVZ (gedecompenseerd hartfalen, respiratoir falen, recent MI), slechte voedingstoestand, fors alcoholgebruik. - Interacties: middelen die de nierfunctie verslechteren (NSAID's, ACE-remmers, ARB's) verhogen het risico op lactaatacidose.
- Bijwerkingen: gastro-intestinaal (misselijkheid, diarree, buikpijn), zeer zelden lactaatacidose; geen hypoglykemie.
- Werkingsmechanisme: remt de hepatische gluconeogenese en verbetert de insulinegevoeligheid.
/**
* Start met de grootste maaltijd; titreer elke 2-4 weken op nuchter glucose.
* Bij dehydratie/koorts/braken/diarree tijdelijk staken (lactaatacidose).
*/
R/ metformine tablet 500 mg
Da/ 14 stuks
S/ 1 dd 1 tablet bij of na de grootste maaltijd; ophogen tot max `3 dd 1000 mg`
Stap 2 zonder zeer hoog risico: gliclazide toevoegen
Voorkeurs-SU vanwege gebruiksgemak, lager hypo-risico en geen dosisaanpassing bij nierfunctiestoornis.
Bij BMI ≥ 30 kan in plaats hiervan een GLP1-agonist; bij ≥ 4 CV-risicofactoren een SGLT2-remmer.
- Contra-indicaties: ernstige nierfunctiestoornis (
eGFR < 10 ml/min), ernstige leverfunctiestoornis, zwangerschap/lactatie. - Interacties: corticosteroïden, bètablokkers (maskeren hypo), vitamine K-antagonisten; miconazol versterkt het glucoseverlagende effect.
- Bijwerkingen: hypoglykemie, gewichtstoename (~2 kg); zelden gastro-intestinaal of huiduitslag.
- Werkingsmechanisme: stimuleert de insulineafgifte uit de β-cellen.
R/ gliclazide tablet mga 30 mg
Da/ 14 stuks
S/ 1 dd 1 tablet bij het ontbijt; ophogen tot max `1 dd 120 mg`
Stap 3 zonder zeer hoog risico: keuze op HbA1c-afstand
Middelkeuze op geleide van de afstand tot de streefwaarde:
1-9 mmol/molboven streefwaarde: gliclazide, DPP4-remmer of SGLT2-remmer.10-19 mmol/molboven streefwaarde: GLP1-agonist of (middel)langwerkende insuline.≥ 20 mmol/molboven streefwaarde: (middel)langwerkende insuline.
Sitagliptine (DPP4-remmer)
- Contra-indicaties: pancreatitis of bulleus pemfigoïd in de voorgeschiedenis, ernstig hartfalen, ernstige nier- of leverfunctiestoornis.
- Interacties: combineer niet met een GLP1-agonist (niet effectief, ontraden).
- Bijwerkingen: zelden pancreatitis; gewichtsneutraal, geen hypo bij monotherapie.
- Werkingsmechanisme: remt DPP4 → verhoogt incretines → glucoseafhankelijke insulineafgifte, remt glucagon.
/**
* Op indicatie bij BMI < 30 en bezwaar tegen spuiten. Pas dosis aan op eGFR:
* eGFR > 30: 1 dd 50 mg; eGFR 15-30: 1 dd 25 mg; eGFR < 15 vermijden.
*/
R/ sitagliptine tablet 100 mg
Da/ 30 stuks
S/ 1 dd 1 tablet
Insuline isofaan (NPH, (middel)langwerkend)
- Contra-indicaties: geen absolute; geen dosisaanpassing bij nierfunctiestoornis.
- Interacties: alcohol, bètablokkers (maskeren hypo), ACE-remmers, AT2-antagonisten.
- Bijwerkingen: hypoglykemie, gewichtstoename (2-3 kg), lipodystrofie, reacties op de injectieplaats.
- Werkingsmechanisme: stimuleert glucoseopname in de cellen en remt de hepatische glucoseafgifte.
/**
* Titreer op de nuchtere glucose; meestal 0,3-1,0 E/kg/dag. Niet staken bij ziekte.
*/
R/ insuline isofaan injectievloeistof 100 E/ml
Da/ 1 pen
S/ 1 dd 10 E s.c. tussen avondeten en bedtijd; ophogen op geleide nuchter glucose
Stap 1 bij zeer hoog risico: SGLT2-remmer
Bij contra-indicatie (eGFR < 15 ml/min): start in plaats hiervan een GLP1-agonist.
Dapagliflozine of empagliflozine (SGLT2-remmer)
- Contra-indicaties: start bij
eGFR < 15 ml/minniet; terughoudend bij voetulcus, perifeer vaatlijden of amputatie in de voorgeschiedenis en bij ondervoeding. - Interacties: kan het diuretisch effect van diuretica versterken.
- Bijwerkingen: genitale mycose, polyurie (hypotensie, valrisico), (euglykemische) ketoacidose.
- Werkingsmechanisme: blokkeert SGLT2 in de proximale tubulus → minder glucosereabsorptie → glucosurie → daling bloedglucose.
/**
* Heel doorslikken, met of zonder voedsel. Staken bij ziekte/dehydratie (ketoacidose).
*/
R/ dapagliflozine tablet 10 mg
Da/ 30 stuks
S/ 1 dd 1 tablet (= max.)
/**
* Alternatieve SGLT2-remmer; ophogen alleen bij striktere regulatie.
*/
R/ empagliflozine tablet 10 mg
Da/ 30 stuks
S/ 1 dd 1 tablet; ophogen z.n. tot max `1 dd 25 mg`
Stap 2 bij zeer hoog risico: metformine toevoegen
Zie het recept bij Stap 1 zonder zeer hoog risico.
Stap 3 bij zeer hoog risico: GLP1-agonist toevoegen
Liraglutide (GLP1-agonist)
- Contra-indicaties: ernstige nierfunctiestoornis; terughoudend bij pancreatitis in de voorgeschiedenis.
- Interacties: combineer niet met een DPP4-remmer (ontraden); bij vitamine K-antagonisten de INR vaker controleren.
- Bijwerkingen: misselijkheid, braken, diarree (vooral bij start), galblaasaandoening, reacties op de injectieplaats; geeft gewichtsverlies, weinig hypo bij monotherapie.
- Werkingsmechanisme: GLP1-analoog → glucoseafhankelijke insulineafgifte, remt glucagon, vertraagt maaglediging, remt eetlust.
/**
* Ophogen op geleide van verdraagzaamheid. Wekelijkse alternatieven: dulaglutide,
* semaglutide (zie FK).
*/
R/ liraglutide injectievloeistof 6 mg/ml
Da/ 1 ampul, 3 ml
S/ 1 dd 0,6 mg s.c. in buik/dij/bovenarm; na ≥ 1 week ophogen naar 1 dd 1,2 mg, max `1 dd 1,8 mg`
Stap 4 (beide stappenplannen)
Voeg een ander middel uit het stappenplan zonder zeer hoog risico toe; intensiveer de insulinebehandeling waar nodig. Combineer GLP1-agonist niet met DPP4-remmer en insuline niet met gliclazide.
Bron
- NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 (herziening 2024, aanpassing februari 2026); volledige samenvatting: Diabetes mellitus type 2.
- Farmacotherapeutisch Kompas, indicatietekst diabetes mellitus type 2 en de preparaatteksten (zie links hierboven).
Depressie
Standaardtherapie depressie voor de STAT: therapeutisch doel, niet-medicamenteus beleid, SSRI als eerste keus (citalopram, escitalopram, fluoxetine, sertraline) en TCA als alternatief, met recepten.
Dysmenorroe
Standaardtherapie dysmenorroe voor de STAT: niet-medicamenteus, pijnmedicatie (paracetamol, NSAID + maagbescherming) en hormonale anticonceptie, met recepten.